De onderste muizen kregen 13 dagen eerder malaria-eiwit met toxine, de bovenste niet.

De meeste menselijke tumoren maken een suikerketen aan die verder alleen in de placenta voorkomt. Op een eiwit dat specifiek die suiker bindt kun je dus een redelijk universeel kankermedicijn baseren. En voor dat eiwit kun je terecht bij malariaparasieten, schrijven Deense en Canadese onderzoekers in het tijdschrift Cancer Cell.

Dat er biochemische overeenkomsten tussen tumoren en placenta’s bestaan werd al langer vermoed, maar nu weten we het zeker. Ali Salanti, van de universiteit van Kopenhagen, kwam er toevallig achter toen hij werkte aan een malariavaccin voor zwangere vrouwen.

De suiker is een vorm van chondroïtinesulfaat, opgebouwd uit N-acetyl-D-galactosamine (GalNAc) en glucuronzuur (GluA). Chondroïtinesulfaten komen op meerdere plekken in het lichaam voor en malariaparasieten gebruiken ze als ankerpunt om te voorkomen dat de rode bloedcellen, waarin ze opgroeien, voortijdig de bloedsomloop worden uitgewerkt. Daartoe voorzien ze de buitenkant van die bloedcellen van eiwitten die precies op de suikers passen.

Die pasvorm hangt dan weer af van de exacte opbouw van de suikerketens. Kennelijk is die op de placenta net iets anders dan in ander weefsel. En al langer is bekend dat malariaparasieten in hun genetische repertoire een eiwit genaamd VAR2CSA hebben, dat exclusief op die placentavariant past. Het is de reden dat malaria extra gevaarlijk is tijdens de zwangerschap: vaak wordt de placenta massaal geïnfecteerd waardoor de foetus een tekort aan voedingsstoffen krijgt.

Zo’n placenta moet pijlsnel groeien en veel van die voedingsstoffen kunnen doorgeven, en er zijn aanwijzingen dat het chondroïtinesulfaat daarbij een essentiële rol speelt. Tumoren groeien ook pijlsnel, en het zou niet zo vreemd zijn als ze daarvoor hetzelfde genetische mechanisme benutten als die placenta. Uiteindelijk zijn die genen in alle cellen aanwezig, al gebruik je ze normaal gesproken niet meer zodra je de placenta bent ontgroeid.

Inderdaad is nu ontdekt dat verreweg de meeste typen tumoren inderdaad de placentavariant van chondroïtinesulfaat aanmaken. In elk geval doen kleuringsproeven in vitro dat sterk vermoeden. Of dat essentieel is voor de eigen groei of slechts een bijverschijnsel, is nog niet duidelijk.

Maar dat maakt niet uit. VAR2CSA kun je ook laten aanmaken door een bacteriecultuur, waarbij je aan het DNA een extra stuk zet dat codeert voor een toxisch eiwit. Die je de resulterende combinatie toe aan een kankerpatiënt, dan zal ze zich exclusief aan tumoren binden waarna dat toxine ter plekke zijn werk kan doen.

De onderzoekers hebben al wat proeven gedaan met VAR2SCA en difterietoxine. Bij menselijk tumorweefsel in vitro werkte het aardig. Ook meerdere (niet-zwangere) muismodellen hadden er baat bij: de meeste behandelde dieren haalden het einde van de testperiode, de onbehandelde meestal niet. Daarbij bleven bijwerkingen uit.

Eer het op mensen kan worden getest, zullen we intussen wel vele jaren verder zijn.

bron: University of Copenhagen, Cancer Cell