Isotopenanalyse van dinosaurustanden wijst uit dat deze dieren toch warmbloedig moeten zijn geweest. Dat claimt althans een Duits-Amerikaanse onderzoeksgroep in Science.

Hun hypothese berust op het feit dat de isotopen 13C en 18O bij voorkeur samen worden ingebouwd in carbonaationen. Dat levert dus een ‘zwaarder’ carbonaat op dan de standaardversie met 12C en 16O.

 

Het percentage ‘zwaar’ carbonaat, dat in tandglazuur wordt ingebouwd, blijkt vervolgens afhankelijk te zijn van de lichaamstemperatuur. Hoe warmer, hoe minder.

 

Deonderzoekers hebben nu het 13C- en 18O-gehalte bepaald in fossiele tanden van sauropoda, een groep plantenetende dinosauriërs waarvan Diplodocus en Brachiosaurus de bekendste voorbeelden zijn. Vergelijking met hedendaagse dieren leerde dat die dino’s een lichaamstemperatuur van 36 tot 38 graden Celsius moeten hebben gehad. Anno 2011 is dat een typische waarde voor een warmbloedig zoogdier, en minstens 5 graden meer dan de temperatuur van een koudbloedige krokodil.

 

Het vormt een bevestiging voor de theorie dat dino’s inderdaad warmbloedig waren. Daardoor groeiden ze relatief snel, en konden ze ook veel sneller konden lopen dan je van een koudbloedige hagedis verwacht.

 

Het is in tegenspraak met een andere theorie die suggereert dat de grootste dinosauriërs wel koudbloedig moeten zijn geweest omdat ze anders in hun eigen hitte zouden zijn gesmoord. Een grote lichaamsomvang is immers niet bevorderlijk voor de warmte-afvoer. Deze theorie zegt dat zelfs zo’n ‘koudbloedige’ dino zichzelf in zijn diepste binnenste nog tot 40 graden zou hebben opgewarmd. Het temperatuurverschil tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ zou daarbij 4 tot 7 graden bedragen.

 

Volgens dit onderzoek kan dat nooit kloppen. De tanden zitten immers aan de buitenkant. Als het daar al 38 graden was, zou de dino van binnen tegen het punt aan hebben gezeten waarop zijn eiwitten gingen denatureren.

 

De onderzoekers suggereren daarom dat de dino’s een nog onbekend temperatuurregelmechanisme moeten hebben gehad, dat voorkwam dat ze ten onder gingen aan hun eigen warmbloedigheid. Wellicht gebruikten ze hun luchtwegen als een vorm van airco. Het kan ook zijn dat volwassen exemplaren hun metabolisme op een lager pitje konden zetten om oververhitting te voorkomen.

 

bron: Science, Universität Bonn

Onderwerpen