Vaccinia.

Het vaccinia-pokkenvirus laat geïnfecteerde cellen eiwitten aanmaken die voorkómen dat een volgend virusdeeltje dezelfde cel opnieuw tracht te infecteren. In plaats daarvan krijgt dat virusdeeltje een zetje zodat het een poging kan wagen bij een volgende cel, zo hebben Britse en Nederlandse wetenschappers ontdekt.

Het gevolg is dat dit virus zichzelf vier keer zo snel over een celcultuur verspreidt dan je op grond van zijn voortplantingssnelheid zou verwachten.

Op de website van Science leggen de onderzoekers uit dat een eenmaal geïnfecteerde cel twee bijzondere virale eiwitten produceert, genaamd A33 en A36. Die verplaatsen zich naar het buitenste celmembraan, waar ze een complex vormen. Dat eiwitcomplex vangt een volgend virusdeeltje op en voorkomt dat het door het celmembraan naar binnen dringt.

Tegelijk zet het de cel aan om een soort vezel te vormen uit het standaard aanwezige eiwit actine. Die vezel helpt het virusdeeltje opnieuw op weg.

Schakel je in het virus de genen uit die voor A33 en A36 coderen, dan vermenigvuldigt het virus zich inderdaad veel langzamer. En ze je alleen die twee genen in een gastheercel, dan worden virusdeeltjes daarna braaf weggeslingerd.

Vaccinia (ook bekend als koepokvirus) is vooral bekend als vaccin tegen het veel gevaarlijkere Variola-pokkenvirus. Dat dat überhaupt werkt komt doordat beide virussen sprekend op elkaar lijken, en het vermoeden rijst dan ook dat variola hetzelfde mechanisme kent en mede daarom zo dodelijk is.

bron: naturenews

Onderwerpen