C.difficile.

De nieuwste elektronische neus ruikt aan je diarree met welke stam van Clostridum difficile je precies bent besmet. Dan weet je tenminste welke medicijnen je het beste kunt slikken, beloven chemici van de University of Leicester in het tijdschrift Metabolomics.

De huidige tests geven meestal alleen aan dat je met C. difficile te maken hebt. Het ziektebeeld verschilt echter per stam of ‘ribotype’. Sommige ribotypes zijn totaal onschadelijk en komen ook in gezonde darmen voor, terwijl andere levensbedreigend zijn en tot de ziekenhuisbacteriën worden gerekend.

Hoogleraar atmosfeerchemie (!) Paul Monks en zijn collega’s hebben nu ontdekt dat elk ribotype een unieke cocktail van vluchtige organische stoffen (VOC’s) afscheidt, en dat de onderlinge verschillen zo groot zijn dat je ze kunt herkennen met een massaspectrometer.

Culturen van tien verschillende ribotypes uit de collectie van een bevriende microbioloog leverden in totaal 69 VOC’s in verschillende combinaties op. Door een statistisch algoritme los te laten op de spectrogrammen, wist Monks er patronen uit te destilleren die specifiek genoeg zijn om zelfs nauw verwante ribotypes uit elkaar te houden.

Voor zo’n analyse hoef je in principe niet eens precies te weten om welke VOC’s het gaat. Dat heeft Monks dan ook nog niet tot in detail onderzocht. Maar de gedetecteerde molecuulmassa’s doen vermoeden dat de verschillen vooral zitten in de emissies van methanol, p-cresol, dimethylamine en een reeks eenvoudige zwavelverbindingen.

Dergelijke stoffen zijn eenvoudig in verband te brengen met het metabolisme van de bacterie, en dát suggereert weer dat het emissiepatroon belangrijke informatie bevat over specifieke metabole routes van de verschillende ribotypes. Wat weer zou kunnen verklaren waarom de ene zo veel virulenter is dan de andere.

Monks geeft echter prioriteit aan een de ontwikkeling van een snelle diagnostische test voor in het ziekenhuis. Waarbij volgens hem het netjes bemonsteren van de poep nog wel eens de grootste uitdaging zou kunnen zijn.

bron: University of Leicester