Acht jaar na de start van protonentherapie in Nederland gaan de technische ontwikkelingen hard, maar klinisch bewijs verzamelen kost tijd. ‘Protonentherapie was een interessante techniek, maar nu is het een volwassen, klinisch toepasbare behandeling.’

Het was groot nieuws toen in 2018 het eerste protonencentrum van Nederland werd geopend in Groningen. Snel daarna volgden centra in Delft en Maastricht. Allemaal gebruiken ze een deeltjesversneller om positief geladen deeltjes uit de kern van waterstofatomen los te maken en deze gericht op tumoren af te vuren. Met protonentherapie ontstaat minder schade aan omliggend weefsel, omdat de protonen hun energie op een specifiek punt loslaten en niet in de hele straal rondom de tumor zoals bij klassieke fotonentherapie.

Inmiddels zijn we acht jaar verder, en steeds meer soorten tumoren kunnen met protonen worden behandeld. Aan de andere kant werd onlangs de protonenbehandeling van een agressieve vorm van hersenkanker landelijk stilgelegd, omdat het mogelijk slechtere resultaten oplevert dan fotonentherapie. Hoe staat protonentherapie er nu voor?

Wat is protonentherapie?

Bij protonentherapie gebruiken artsen een straal van protonen om tumoren gerichter te behandelen. Omdat de protonen minder snelheid hebben dan fotonen, kunnen artsen precies richten waar ze willen dat de protonen tot stilstand komen en hun energie loslaten. Hierdoor ontstaat er minder schade aan omliggend weefsel – zoals bij fotonen wel het geval is – en dat maakt de behandeling interessant voor plekken waar omliggende schade veel bijwerkingen kan geven, zoals in het hoofd of in de hals. De behandeling is echter wel 2,5 keer zo duur als fotonentherapie, dus onderzoeken de artsen per patiënt welke behandeling of combinatie van behandelingen de beste uitkomst geeft.

Beweging

Hoewel de basis van de techniek nog hetzelfde is, ziet hoogleraar protonentherapie Stefan Both van het Universitair Medisch Centrum Groningen veel beweging in het veld. ‘Vergeleken met acht jaar geleden hebben we zeker stappen gezet. We kunnen de protonenstraal beter beheersen, en weten ook steeds beter hoe we bewegende doelen, zoals tumoren in de longen, kunnen raken.’

Ook Judith van Loon, radiotherapeutisch oncoloog bij Maastro, instituut voor radiotherapie en oncologisch onderzoek in Maastricht, ziet veel verbetering, ‘Protonentherapie was een interessante techniek, maar nu is het een volwassen, klinisch toepasbare behandeling.’ Dit zorgt er volgens de onderzoekers voor dat steeds meer patiënten in aanmerking komen voor protonentherapie. ‘We zijn gestart met het behandelen van slechts een paar soorten kanker, zoals hoofdhals- en borstkanker’, vertelt Van Loon. ‘Inmiddels is dat uitgebreid naar onder andere hersen-, long- en lymfeklierkanker.’

‘We willen het liefst precies kunnen zien waar we bestralen, maar het is nog lastig om hoge kwaliteit beelden te maken in de behandelkamer’

Judith van Loon, Maastro

Deze verbreding komt onder andere door verbeteringen in de techniek, vertelt Both: ‘We gebruiken bijvoorbeeld kunstmatige intelligentie om te voorspellen waar we de tumor het beste kunnen raken, en hoe we de patiënt moeten positioneren om de protonenstraal precies op die plek te krijgen.’

Visualisatie speelt hierbij ook een grote rol. ‘We willen het liefst precies kunnen zien waar we bestralen, maar het is nog lastig om hoge kwaliteit beelden te maken in de behandelkamer’, zegt Van Loon. Met behulp van AI lukt het inmiddels wel om de beelden te verbeteren, vertelt Both: ‘En we kunnen nu ook achteraf precies reconstrueren hoe de behandeling is gegaan en waar de dosis is losgelaten.’

Voorspellen

Om te bepalen of een patiënt potentieel baat heeft bij protonentherapie wordt gebruik gemaakt van predictiemodellen. ‘We gebruiken deze modellen om te voorspellen of de verwachte stralingsdosis op de gezonde weefsels inderdaad lager is bij protonentherapie én of dit leidt tot significant minder toxiciteit of bijwerkingen’, zegt Van Loon. ‘Als er ook maar een indicatie is dat fotonentherapie gelijk of beter werkt, kiezen we altijd daarvoor.’ 

Nadeel van deze aanpak is dat er dus nog weinig of geen klinisch bewijs is dat behandeling met protonentherapie echt gaat helpen. ‘Er is geen gerandomiseerde studie zoals bij nieuwe medicijnen, maar voor deze nieuwe technologie met hoge investeringskosten is dit model een mooie, gecontroleerde manier om te bepalen welke patiënten het meeste baat hebben bij deze behandeling’, zegt Van Loon.

Er is natuurlijk altijd een zekere mate van onzekerheid, geeft Both toe. ‘Maar onze modellen zijn goed getraind en worden geoptimaliseerd met behulp van de behandeldata die nu beschikbaar komen.’ Hij vindt het dus goed dat we in Nederland die stap op een gecontroleerde manier durven te zetten. ‘De methode waarvoor in Nederland is gekozen geeft veel meer zekerheid en houdt bovendien rekening met technologische ontwikkelingen bij zowel fotonen als protonen.’

’Omdat wij zulke diverse tumoren behandelen, duurt het jaren voor je genoeg data opbouwt’

Stefan Both, Universitair Medisch Centrum Groningen

In november 2025 werd de behandeling van patiënten met een IDH-mutatie graad 3-glioom stilgelegd nadat uit de eerste analyse bleek dat patiënten die protonentherapie kregen mogelijk eerder overleden dan patiënten die fotonentherapie kregen. Het stilleggen was volgens Both uit voorzorg. ‘De studie was nog niet afgerond, maar de signalen die we kregen waren onverwacht ongunstig. Daarom zijn we gestopt met het behandelen van deze specifieke hersentumor-variant. Of de protonentherapie echt minder goed werkte, of dat andere factoren deze resultaten veroorzaakten wordt nu diepgaand onderzocht.’

Data verzamelen

De drie Nederlandse centra verzamelen al sinds de start data om de resultaten van protonentherapie te evalueren. Het lastige hierbij is dat ze minder patiënten hebben dan van tevoren werd ingeschat: jaarlijks behandelen de centra zo’n 1200 tot 1400 mensen, en niet de drie- tot vijfduizend die werden voorspeld. En er zijn jaarlijks maar relatief weinig patiënten met precies dezelfde tumor. ‘Voor een goede studie wil je graag honderden mensen met dezelfde aandoening behandelen’, zegt Both. ‘Maar omdat wij zulke diverse tumoren behandelen, duurt het jaren voor je genoeg data opbouwt.’

Bovendien verandert de techniek ook nog eens regelmatig. ‘Vijf jaar geleden kregen patiënten een andere behandeling dan nu’, zegt Both. ‘We willen niet wachten met implementeren van technische verbeteringen als we weten dat het de patiënt kan helpen. Maar dat zorgt er ook voor dat de data niet altijd te vergelijken zijn.’

Optimistisch

Toch blijven beide onderzoekers optimistisch. ‘Met het klinisch bewijs dat we de komende jaren verzamelen zullen we steeds beter kunnen bepalen welke patiënten het meeste baat hebben bij deze behandeling’, aldus van Loon. ‘Daarnaast zorgen de ontwikkelingen in protonentherapie er ook voor dat andere radiotherapie, zoals met fotonen, beter wordt. We trekken allemaal samen op.’ 

De prioriteit blijft volgens Both altijd uitgaan naar de patiënt. ‘Protonentherapie is een van de middelen in de gereedschapskist van een radiotherapeut, en wij willen patiënten zo veel mogelijk opties bieden om ze beter te maken.’