Redactioneel

Wat keek de Vlaamse dopingexpert Peter Van Eenoo raar op toen The New York Times het nieuws bracht. Zijn collega Grigory Rodchenkov, directeur van het Russische dopinglab, gaf daarin toe dat de Russen gesjoemeld hadden met de tests van Russische atleten tijdens de Winterspelen van 2014. Van Eenoo was daar toezichthouder van het dopinglab, werkte samen met Rodchenkov en had niets door.

Maar hoe kon hij ook? De Russische geheime dienst is op een of andere manier creatief omgesprongen met de doppen van de flesjes die als zegel dienen, en dat gebeurt natuurlijk niet op klaarlichte dag. Dat verklaart waarschijnlijk waarom het dopinglab maar 20 uur open was in plaats van de gebruikelijke 24 uur. En dat de Russische veiligheidsdienst in het gebouw pal naast het dopinglab zijn intrek nam, was vast ook geen toeval.

Tegelijkertijd zegt dat tijdsframe iets over de kwaliteit van het Russische dopinglab. Dit grootste dopinglab ter wereld draait zijn hand niet om voor de analyse van twintigduizend monsters op jaarbasis, vandaar dat het met 20 van de 24 uur toekon. Van Eenoo in de Volkskrant: ‘Op dat moment dacht ik: dit is super professioneel georganiseerd.’ En een WADA-geaccrediteerd lab wordt je niet zomaar, bleek uit een gesprek dat ik drie jaar geleden met hem had (zie C2W life sciences 11 2013). Er heerst een continue druk op de analysekwaliteit en als je het minimum van drieduizend monsters per jaar niet haalt, dan vlieg je er direct uit.

Toch ligt die kwaliteit onder vuur van buitenaf. Zo betoogde dopingpsycholoog Bram Brouwer onlangs in het NRC dat hij wil dat dopinglabs de validiteit van hun tests – de mate waarin een test meet wat hij zou moeten meten – openbaar maken. Dat dit niet gebeurt, stemt hem sceptisch. Als de uitkomst gunstig zou zijn, zouden de labs wel naar buiten treden, zo is zijn redenatie. De huidige tests bezorgen elke atleet wel een keer een valse beschuldiging, als je maar vaak genoeg test, meent de dopingpsycholoog.

Dit hangt volgens Brouwer samen met het streven van de dopingautoriteiten naar zo min mogelijk vals-negatieven – kortom wel gebruikt, niet gepakt. Als je ondertussen de validiteit van je tests niet verbetert, dan zal die bias resulteren in een toename van vals-positieven, zeg maar onterechte beschuldigingen. En hoe meer tests je dan doet, hoe groter de kans dat je gepakt wordt. Terecht of onterecht.

Hoe zou Van Eenoo aankijken tegen deze kritiek? Een ding is zeker: de perfecte analyse bestaat niet – dat onderschrijft ook Brouwer. En een tweede ook: we zullen kritisch moeten blijven kijken naar wat we feitelijk (willen) meten en waar nodig blijven sleutelen aan onze analyses, ongeacht voor welk lab we werken.

Puck Moll vak-/eindredacteur C2W pmoll@c2w.nl