De manier waarop wetenschappers naar fenomenen kijken, bepaalt de ‘status’ van die verschijnselen, zo weet columnist Enith Vlooswijk nu. Of het nou gaat om planeten of ziektes.
De staten New Mexico en Illinois wilden er niets van weten. Ook Alan Stern, hoofdonderzoeker van NASA’s New Horizons missie naar Pluto, was fel gekant tegen de beslissing van The International Astronomical Union. Die bepaalde in 2006 dat Pluto niet langer de classificatie ‘planeet’ verdiende, maar tot ‘dwergplaneet’ zou afzakken. Ruim vierhonderd astronomen hadden hier tijdens een internationale bijeenkomst mee ingestemd door hun hand op te steken. Een mini-bol die zijn baan deelt met andere objecten, zo oordeelden zij, is te miezerig om door te gaan voor een volwaardige planeet.
New Mexico en Illinois surften tot dan toe mee op de roem van Clyde Tombaugh, die Pluto in 1930 ontdekte. De astronoom woonde in die tijd in New Mexico en werd geboren in Illinois. Ook voor Stern moet het een kwestie van eer zijn geweest: plotseling ging zijn missie niet langer naar de ‘negende planeet’, maar naar een halfbakken nepperd. Zo veel stof deed de kwestie in de VS opwaaien, dat The American Dialect Society ‘plutoed’ in 2006 bestempelde tot woord van het jaar. Het betekent ‘gedegradeerd’. In het Nederlands zou je ‘geplutoniseerd’ kunnen zeggen.
Wetenschapsframing
Dat de beslissing voor velen zo emotioneel beladen was geweest, ontdekte ik pas tijdens een college van de Leidse hoogleraar Peter Burger over wetenschapsframing. Zijn boodschap: de wetenschap bepaalt in grote mate hoe de samenleving aankijkt tegen de werkelijkheid. Dat geldt voor planeten, maar ook voor ziekten. Pas nadat de psychiater John E. Fryer in 1972 tijdens een bijeenkomst van de American Psychiatric Association gemaskerd uit de kast kwam, verdween homoseksualiteit van de lijst mentale aandoeningen.
‘Na de dood van de neuroloog nam het aantal gevallen snel af en ook de symptomen werden aanzienlijk milder’
Omgekeerd hebben geesteswetenschappers er ook een handje van mentale aandoeningen in het leven te roepen. Een frappant voorbeeld daarvan is hysterie, een geestesgesteldheid die eind negentiende eeuw de gemoederen zeer bezighield. In zijn boek De magie van genezing beschrijft de emeritus hoogleraar Willem van der Does hoe de Franse neuroloog Jean-Martin Charcot (1825-1893) veel faam vergaarde met zijn behandeling van deze ‘ziekte’, die tot dan toe vrij zeldzaam was.
Bloedzuigers
Tijdgenoten zagen hysterie als een vrouwelijke ziekte, die zijn oorsprong zou hebben in de baarmoeder en van daaruit het brein zou infecteren. Artsen behandelenden onder meer door de genitaliën te stimuleren met soms indrukwekkende vibrators, of door bloedzuigers in de baarmoeder te stoppen.
Charcot gooide het over een andere boeg. De oorzaak van ‘hysterie’ zocht hij uitsluitend in het brein. Zijn ‘genezende’ hypnose-sessies werden razend populair en het aantal hysteriegevallen nam in korte tijd spectaculair toe. Tijdens de sessies maakten de patiënten vier ‘fasen’ door, waarin ze omvielen, wild om zich heen gingen slaan, dan weer verstijfden in een boogvormige houding, schreeuwden, huilden en hallucineerden. Na de dood van de neuroloog nam het aantal gevallen snel af en ook de symptomen werden aanzienlijk milder. Tegenwoordig zouden experts die volgens Van der Does interpreteren als conversie, dissociatieve stoornis, of theatrale persoonlijkheidsstoornis: nogal een plutonisering van de hysterie.
Klachten die de wetenschap lastig kan duiden, bereiken inmiddels lang niet altijd de status van ziekte. Patiënten met aandoeningen als ME/CVS kunnen daarover meepraten: jarenlang moesten ze aanhoren dat hun aandoening waarschijnlijk ‘tussen de oren’ zit en dat ze er maar mee moesten leren leven. Pas na de uitbraak van de coronapandemie en de nasleep van long covid kregen zij eindelijk perspectief op nieuwe geneeswijzen. De wetenschap plutoniseert en creëert onze werkelijkheid, het is maar net waar de onderzoeksblik zich toevallig op richt.





Nog geen opmerkingen