En u dacht dat hij arsenicum lustte?

De roemruchte arseenbacterie mag dan bijzonder goed bestand zijn tegen arseen, hij leeft gewoon op fosfor. Dat blijkt uit twee artikelen die zondag door Science online zijn gezet.

In een begeleidend redactioneel commentaar wordt gesteld dat Felisa Wolfe-Simon, die eind 2010 in hetzelfde tijdschrift het bestaan van de bacterie aankondigde, haar data achteraf verkeerd heeft geïnterpreteerd. Wolfe-Simon wist dat er een spoortje fosfaat in haar voedingsmedia zat maar ging er van uit dat het veel te weinig was voor bacteriegroei. Het lijkt er nu op dat ze zich danig op het fosfaatsprokkeltalent van haar bacterie heeft verkeken.

In het ene artikel melden Tobias Erb, Julia Vorholt en collega’s (ETH Zürich) dat ze GFAJ-1 hebben gekweekt op voedingsbodems met verschillende concentraties arsenaat en fosfaat. Op 40 mM arsenaat en 1,7 mM fosfaat groeide hij wel, maar niet als de fosfaatconcentratie werd verminderd tot beneden de 0,3 mM. En met een gevoelige massaspectrometer kon worden aangetoond dat in de metabolieten en in het DNA alleen fosfor zat ingebouwd en géén aantoonbare hoeveelheden arseen.

Wel werden C6-suikerarsenaten aangetroffen. Maar eerder onderzoek heeft aangetoond dat zulke verbindingen ook ‘abiotisch’ kunnen ontstaan, dus spontaan en zonder dat het bacteriële metabolisme daar iets mee te maken heeft.

Het tweede stuk is, zoals te verwachten viel, van de Canadese onderzoeker Rosie Redfield die vanaf het begin de belangrijkste criticaster van de arseenbacterie was. Met steun van een groep Princeton-onderzoekers komt zij tot ongeveer dezelfde conclusies.

Bovendien heeft ze nog wat extra moeite gedaan om te checken of er echt geen arseen in het DNA zit: ze vond wel een beetje maar dat was er gemakkelijk uit te wasen en kwam dus waarschijnlijk uit het voedingsmedium. Van een verminderde stabiliteit, voorspeld omdat arsenaat veel gemakkelijker zou moeten hydrolyseren dan fosfaat, vond ze geen spoor.

The end result is that the fundamental biopolymers conserved across all forms of life remain, in terms of chemical backbone, invariant’, zo sluit ze haar relaas triomfantelijk af.

Volgens de Science-redactie is het een mooi voorbeeld van de zelfcorrigerende werking van het wetenschappelijke proces.

bron: Science

Onderwerpen