Stelling

Veel onderzoek in de life sciences kan toe met nieuwe methodes zonder diermodellen, betoogt Coenraad Hendriksen, emeritus hoogleraar alternatieven voor dierproeven. Impliceren dat life scientists nu onnodig veel proefdieren gebruiken gaat Flip Klatter, directeur van de Centrale Dienst Proefdieren van het UMCG echter te ver.

Coenraad Hendriksen

Op dit moment wordt zo’n 15 % van alle proefdieren gebruikt om de veiligheid van vaccins te testen. Bij zulk regulatoir geneesmiddelenonderzoek is bij uitstek een grote reductie van het proefdiergebruik mogelijk. Life scientists hebben de laatste twintig jaar alternatieve testmethodes ontwikkeld die vaak beter zijn dan diermodellen. Veel van de huidige diermodellen op dat terrein zijn ontwikkeld vóór de jaren 70. Die modellen zijn verouderd.Met de huidige technologie kunnen we het proefdiergebruik reduceren. Die zullen we op termijn ook meer gaan toepassen. Ook voor de geneeskunde kun je al heel veel onderzoek doen in celkweken, zoals stamcellen en organoids en met allerlei -omics en analytische technieken.Ik verwacht dat wetenschappers in hun onderzoek modellen willen gebruiken die het beste antwoord geven op hun vragen. Ik ben er dan ook van overtuigd dat verouderde diermodellen daarom steeds minder zullen worden toegepast. De grootste moeilijkheid bij regulatoir onderzoek is om regelgevers te overtuigen van de alternatieven. Daar gaat de meeste tijd in zitten. We leven in een extreem risicomijdende maatschappij en regelgevers bouwden door de jaren heen, terecht of onterecht, vertrouwen op in de tests met diermodellen. Het zal veel tijd kosten hen te overtuigen van de alternatieven. Toch verwacht ik dat over twintig jaar het gebruik van proefdieren voor dit type onderzoek tot bijna niks gereduceerd zal zijn. Maar ik vind dat wij als wetenschappers de morele taak hebben om dit proces waar mogelijk te versnellen.’


Flip Klatter

‘Deze stelling impliceert dat onderzoekers nu onnodig veel proefdieren gebruiken of dat onderzoek met proefdieren onzorgvuldig zou gebeuren. Dat is niet zo. Iedereen die nu met proefdieren werkt is daar heel serieus mee bezig en streeft waar mogelijk naar vermindering, vervanging en verfijning.Alle proefdiercentra maken gebruik van instanties voor dierenwelzijn – teams van verschillende experts die projectvoorstellen vooraf toetsen en doorrekenen en de projecten ook gaandeweg blijven evalueren. Dat heeft effect. Dat effect verwacht ik ook wanneer de database voor kennisuitwisseling over alternatieven voor dierproeven klaar is en consequent wordt geraadpleegd. Ook verwacht ik van de ontwikkeling van alternatieven, zoals met organs on a chip, veel. Verder denk ik dat door meer samenwerking tussen fokcoördinatoren van verschillende centra het totale fokoverschot kleiner kan worden. Bestuurders van universiteiten, medische centra en bedrijven investeren bovendien in technologie, zoals imaging-apparatuur, die ervoor zorgt dat je proeven met minder dieren kunt uitvoeren. Verder zorgt toenemende transparantie dat de maatschappij beter de proefdierdilemma’s kan bediscussiëren en regelgevers betere keuzes kunnen maken.Als je alle op zichzelf misschien kleine effecten op de korte termijn optelt, leiden ze op langere termijn tot een forse reductie van het aantal benodigde proefdieren. Aan de andere kant vermoed ik dat nieuwe technologie, zoals transgenese middels CRISPR-Cas, weer aanleiding zal geven tot de ontwikkeling van nieuwe diermodellen. Maar ik verwacht dat we per saldo in de toekomst minder proefdieren nodig zullen hebben. Vooral doordat iedereen die nu met proefdieren werkt dat zeer serieus en zorgvuldig doet.’

Onderwerpen