Irisine.

Vergeet het hormoon irisine als bestrijder van obesitas. Berichten dat menselijke spieren het aanmaken zijn volledig te danken aan ondeugdelijke analytische tests, schrijft een internationaal gezelschap in Scientific Reports.

Als ze gelijk hebben kunnen zeker 170 wetenschappelijke publicaties over irisine de prullenmand in.

Dat irisine dook begin 2012 voor het eerst op. In een Nature-publicatie werd geclaimd dat het een fragment is van een tien jaar eerder ontdekt eiwit genaamd FNDC-5 (voluit fibronectin type III domain-containing protein 5). Bij lichamelijke inspanning wordt het in de spieren afgeknipt van FNDC5, waarna het elders de omzetting van ‘wit’ in ‘bruin’ vetweefsel katalyseert. Dat witte vet is een vorm van energie-opslag, het bruine wordt vrijwel direct verbrand. Zoogdieren die een winterslaap houden, gebruiken deze omzetting om warm te blijven.

Mensen houden gewoonlijk geen winterslaap, maar het leek er op dat ze in de sportschool wél irisine aanmaakten en dáárdoor vet verbrandden. Waarop vanzelf het idee opborrelde om dat irisine in een afslankpilletje te doen zodat die sportschool niet meer nodig was. Tegen diabetes zou die pil wellicht ook kunnen helpen.

Het vervelende is alleen dat zo’n beetje alle onderzoekers, die irisineconcentraties in menselijk bloed maten, dat deden met behulp van antilichamen in een zogeheten Elisa-assay. Zulke testkitjes kun je immers zó kopen, voor relatief weinig geld. En niemand lijkt zich te hebben gerealiseerd dat die antilichamen zich nog wel eens willen binden aan ándere eiwitten dan waarvoor ze bedoeld zijn - een hebbelijkheid die wel vaker schijnt te leiden tot niet-reproduceerbare meetresultaten.

Totdat de Duitse onderzoeker Steffen Maak naar irisine ging zoeken met Western blots, een meer bewerkelijke analysemethode die eiwitmoleculen niet op vorm maar op omvang sorteert. Maak voelde nattigheid. Het maakte een emaildiscussie los die leidde tot een Duits/Noors/Zwitsers/Amerikaanse samenwerking waarbij zo veel mogelijk Elisa-kitjes werden ingekocht en losgelaten op bloed van mensen, renpaarden, geiten, varkens, konijnen en nog een paar diersoorten. Daarna werd met Western blots de gecombineerde massa bepaald van die antilichamen en de eiwitten die ze eventueel uit het bloed hadden gevist.

Resultaat: die commerciële antilichamen bonden inderdaad keurig irisine. Maar daarvoor moest je dat eiwit wél zelf aan de bloedmonsters toevoegen, want het zat er van nature nooit in. Wat zaten er meerdere andere eiwitten in die door dezelfde antilichamen bleken te worden gebonden; welke precies is niet verder onderzocht maar vast staat dat het molecuulgewicht niet in de buurt kwam van dat van irisine.

Conclusie: het kan zijn dat mensen (en de onderzochte dieren) wel degelijk irisine aanmaken maar dan is het te weinig om door zo’n Elisa-assay te worden gedetecteerd. Wat inhoudt dat het vermoedelijk óók te weinig is om enig zichtbaar effect te hebben.

Recent onderzoek suggereert trouwens dat mensen wél het FNDC5-gen hebben maar dat het ergens in de evolutie is uitgeschakeld, zodat de expressie minimaal is. Kennelijk verbranden mensen hun vet niet door tussenkomst van dit eiwit of van irisine. Wat het idee van een irisinepil niet helemaal ontkracht maar wel een stuk dubieuzer maakt.

bron: Duke University