Langzaamaan maakt de Europese zorgsector zich klaar voor personalized medicine. Angela Brand van de Universiteit Maastricht legt uit wat de knelpunten zijn.

De mogelijkheden voor behandelingen op maat nemen in snel tempo toe. Dat betekent dat ook de organisatie van de zorg moet veranderen. Het goede nieuws is dat de Europese zorgsector zelf aanvoelt dat het hoog tijd is om personalized medicine te omarmen, aldus Angela Brand, hoogleraar sociale geneeskunde in Maastricht. Zij onderzocht de kwestie voor de januari-editie van Personalized Medicine. ‘Patiënten verschillen sterk in hun respons op medicijnen’, zegt ze. ‘We geven mensen nu medicijnen, terwijl we weten dat ze er niet goed op reageren. Het wordt langzamerhand voor iedereen duidelijk dat dat onhoudbaar is.’

Aanvankelijk was er vooral tegenwind van epidemiologen, herinnert Brand zich. Die bestuderen trends in de volksgezondheid door in de data van miljoenen mensen naar patronen te zoeken. Voor hen ligt een aanpak op het niveau van de individuele patiënt dus niet voor de hand. Nu de epidemiologen stilaan bijdraaien, blijkt tot Brands verbazing dat ook nogal wat artsen dwarsliggen. ‘Uiteraard zijn zij voor een ‘persoonlijke’ aanpak, maar ‘gepersonaliseerde’ geneeskunde in strikte zin is vaak meer gebaseerd op moleculaire analyses dan op de kennis, ervaring en intuïtie van de arts. Dat valt niet overal in goede aarde.’ Betere communicatie is hier cruciaal, denkt Brand. ‘Bovendien zouden artsen in opleiding hierover meer moeten leren.’

Patrik Vankrunkelsven, huisarts en tevens hoogleraar huisartsgeneeskunde aan de KU Leuven, heeft niet het gevoel dat de artsen tegen zijn. ‘Haalbare en betaalbare gepersonaliseerde oplossingen zijn wat ons betreft zeer welkom’, onderstreept hij. ‘Maar ik moet de eerste praktische toepassing in de eerstelijnszorg eigenlijk nog zien – net als de economische voordelen ervan.’

Aandeelhouders

De gepersonaliseerde behandelingen die het vaakst het nieuws halen, zijn die voor zogenoemde weesziektes of zeldzame kankers waarvoor tot voor kort geen behandeling bestond – en vandaag enkel een peperdure. De producent kan veel geld vragen voor ‘unieke’ middelen. Komt het geld voor onze gezondheidszorg zo niet vooral bij de aandeelhouders van die bedrijven terecht? ‘Dat gevaar bestaat’, geeft Brand toe. ‘Het is dus uiterst belangrijk dat de lidstaten hierover samen onderhandelen, zodat we een betere prijs kunnen afdwingen. In de Benelux gebeurt dat al.’

‘Soms is wetgeving juist een obstakel’

Ook op het vlak van de implementatie is er nog werk aan de winkel, ontdekten Brand en collega’s. Patiëntendata bevinden zich in de meeste landen verspreid over tal van verschillende systemen die voor veel artsen niet tegelijkertijd toegankelijk zijn – en voor de patiënt zelf vaak al helemaal niet. Op termijn zou het beter zijn als patiënten zich konden organiseren in een soort coöperatieven, denkt Brand, waarin ze in onderling overleg hun eigen data kunnen beheren. Ook het wettelijk kader loopt achterop, al is dat niet per se negatief, vindt Brand. ‘Eer een wet eindelijk is aangenomen, is hij vaak al achterhaald, en vormt hij eerder een obstakel dan een stimulans.’

Daarnaast zijn de klassieke, klinische studies met honderden of zelfs duizenden patiënten in de gepersonaliseerde geneeskunde niet langer haalbaar, denkt Brand. ‘We moeten dus op zoek naar nieuwe manieren om te testen of een medicijn werkt, bijvoorbeeld met zogenoemde adaptieve studies. Daarbij testen artsen de effecten van een behandeling op verschillende momenten bij dezelfde patiënt, en passen zij daarna de behandeling aan de uitkomsten aan. Daarnaast zullen we gepersonaliseerde behandelingen in bepaalde gevallen sneller moeten toelaten, om vervolgens langer en nauwgezetter op te volgen in hoeverre ze hun belofte waarmaken.’