Arthur Rörsch schreef een lezenswaardige handleiding over wetenschapsbeoefening anno 2016. Voor wetenschappers, maar ook voor iedereen daarbuiten.

Wetenschappers doen steeds mooiere en ingewikkelde uitvindingen. Fundamentele door­braken, nieuwe inzichten en ingenieuze toepassingen overspoelen ons in een tempo dat we dertig jaar geleden nog niet kenden. Al die briljante uitvinders bouwen natuurlijk voort op fundamenten die al tientallen of honderden jaren geleden werden gelegd. Zij moeten ervan uitgaan dat de observaties en wetenschappelijke conclusies van hun voorgangers kloppen. Dat is natuurlijk niet altijd zo en in dat soort gevallen kan het ernstig misgaan. Bovendien staan zij niet alleen met werkgroepleiders, managers, directies, subsidieverlenende instanties, commerciële opdrachtgevers en politici om hun heen die niet primair zoeken naar de waarheid, maar wel naar snelle resultaten en welgevallige conclusies. Zo kun je in een notendop de crisis die de wetenschapsbeoefening bedreigt omschrijven. In Science Friction – Wetenschap tussen crisis en vooruitgang analyseert Arthur Rörsch deze situatie. Hiervoor beschrijft hij de ontwikkeling van de wetenschap en de wetenschapsfilosofie vanaf de oudheid tot het heden, maakt hij gebruik van casestudies, maar kijkt hij ook naar respectievelijk de wetenschappelijke methode en integriteit, de structuur van de huidige wetenschappelijke gemeenschap en de interactie tussen wetenschap en samenleving. Rörsch sluit het boek af met zijn visie op een noodzakelijke renaissance in de wetenschapsbeoefening.

Wetenschappelijke geletterdheid

De rode draad die de lezer in deze veelheid van gegevens bij de les houdt is een kort geformuleerde leidraad van A.B. Arons (1916-2001, fysicus en filosoof). Deze leidraad wordt in tekstblokjes steeds waar dat te pas komt, heel vaak dus, herhaald. Daaraan moeten we de waarheden waarvan we uitgaan toetsen. Dat alles geldt niet alleen voor wetenschappers, maar ook voor hun managers, opdrachtgevers, subsidiever­leners, politici en wetenschapsjournalisten. Dat is geen eenvoudige opgave en vergt scientific literacy (wetenschappelijke geletterdheid). Rörsch nam daarover een hele appendix op om je uit te leggen wat hij daaronder verstaat. Voor bijvoorbeeld politici geldt dat zij niet alle wetenschappen hoeven te kennen, maar wel dat zij wetenschap aanvoelen. Ze moeten bovendien kunnen onderscheiden of zij iets geloven omdat hun kerk, hun partij of het IPCC dat zegt, of omdat iemand duidelijk kan maken dat iets gestoeld is op wetenschap zelf. Dat klinkt misschien wat vaag, maar Rorsch werkt dit in het boek erg goed uit. Wie het op bepaalde punten niet met Rörsch eens is, kan zijn voordeel doen met dit boek en zich beter realiseren hoe de wetenschappelijke methode werkt en hoe je een wetenschappelijk debat moet voeren. Een sterke aanbeveling voor studenten tot en met ministers.

How do we know … ?
Why do we believe … ?
What is the evidence for …?