2-fenylethylamine.

Aan de aanwezigheid van 2-fenylethylamine in de urine kun je aflezen of een zoogdier een roofdier is. Vandaar dat muizen daadwerkelijk kunnen ruiken of er een kat in de buurt is, zo schrijven Harvard-onderzoekers David Ferrero en Stephen Liberles deze week in PNAS.

Het is voor het eerst dat een generiek geursignaal wordt ontdekt dat het dierlijke instinct waarschuwt tegen vleeseters in het algemeen, en niet alleen maar tegen één bepaalde soort.

De onderzoekers kwamen er achter door te kijken naar een groep geurreceptoren waarvan tot nu toe nog weinig bekend was. Deze zogeheten ‘trace amine-associated receptors’ (TAARs) komen bij de meeste gewervelde dieren voor, maar in wisselende aantallen: muizen hebben er 15, ratten 17 en mensen slechts 6.

Via internet bestelden Ferrero en Liberles een hoeveelheid urine van de rode lynx (bobcat, Lynx rufus). Die wilde-kattenpis staat in de VS bekend als probaat middel tegen knaagdieroverlast, maar tot nu toe wist niemand wat daar de moleculaire achtergrond van was. De onderzoekers bleken goed te hebben gegokt: een van de geheimzinige receptoren, genummerd TAAR4, bleek er sterk op te reageren.

Nader onderzoek wees 2-fenylethylamine aan als de component van die urine die specifiek bindt aan deze geurreceptor, die bij mensen overigens niet voorkomt.

Het leek onwaarschijnlijk dat alleen lynxen 2-fenylethylamine produceren. Om dat te onderzoeken werden via dierentuinen urinemonsters verzameld van 38 verschillende zoogdiersoorten. Kwantitatieve HPLC-analyse bevestigde dat álle carnivoren bovengemiddelde hoeveelheden van deze stof produceren. Bij katachtigen, zoals de leeuw, de tijger en de serval, bleek de concentratie in de urine het hoogst. Bij sommige planteneters lag hij een factor 3.000 lager.

De onderzoekers tekenen er bij aan dat ze nu ook weten hoe je een giraf leert om in een potje te plassen.

Experimenten bevestigen dat muizen als de dood zijn voor pure fenylethylamine, en niet reageren op leeuwenurine waar die stof uit is verwijderd. Om helemaal zeker te weten dat het aan de TAAR4-receptor ligt willen de onderzoekers knockout-muizen kweken die dit receptoreiwit niet aanmaken; in theorie zouden die geheel ongevoelig moeten zijn voor kattenpislucht.

Het vermoeden rijst dat andere TAAR’s ook wel eens iets te maken zouden kunnen hebben met de aansturing van instinctief gedrag. Tot nu toe werd aangenomen dat ze daarvoor in het verkeerde deel van de neusholte voorkwamen, maar die redenering blijkt dus iets te dogmatisch.

bron: Harvard Medical School

Onderwerpen