Melanosomen.

Zo’n 125 miljoen jaar geleden had Sinosauropterix een indianentooi van afwisselend rossige en witte veren op zijn staart. Onder de elektronenmicroscoop is dat nog steeds aan de fossiele resten te zien, zo melden Britse en Chinese onderzoekers in Nature.

Het is voor het eerst dat er hard bewijs voor de kleur van een dinosauriër wordt gevonden. Tot nu toe kon men er alleen maar naar gissen. Dat de dieren vrijwel altijd in bruintinten worden getekend, is puur omdat dat meer voor de hand ligt dan paars met gele stippeltjes.

Sinosauropterix, een kleine carnivoor, geldt als een heel verre voorouder van de huidige vogels. Het is de primitiefste dinosauriër waarop ooit veren zijn aangetroffen.

Onder de elektronenmicroscoop blijk je nu in die veren nog steeds de gefossiliseerde resten te kunnen zien van zogeheten melanosomen, organellen die de dragers zijn van het pigment melanine. Eerder werden die resten voor collageenweefsel aangezien, maar het huidige onderzoek maakt aannemelijk dat het echt melanosomen moeten zijn.

Van de vorm van de melanosomen hangt de uiteindelijke kleur af. Zijn ze rond, dan lijken ze roodachtig. Zijn ze wat meer opgerekt, dan lijken ze donkerder.

Waaruit weer valt op te maken dat de staartveren (lees: de veren op de staart) van Sinosauropterix gestreept moeten zijn geweest, en dat de donkere strepen een roodbruine tot kastanjebruine kleur moeten hebben gehad.

De lichte strepen bevatten geen melanosomen en zouden wit kunnen zijn geweest.

Het klinkt niet als camouflage, dus het zou kunnen betekenen dat dino’s net als moderne vogels hun veren gebruikten om mee te pronken.

bron: BBC News

Onderwerpen