Vogels met veel oranjebruin pigment in hun veren zijn slechter bestand tegen radio-actieve straling dan bijvoorbeeld kraaien. Die chemisch verdedigbare hypothese wordt bevestigd door het verloop van zangvogelpopulaties in de buurt van Tsjernobyl, zo melden Franse en Spaanse onderzoekers in het tijdschrift Oecologia.

Op papier zou voor roodharige mensen hetzelfde kunnen gelden. Misschien kun je die dus beter niet inhuren voor opruimwerk in Fukushima.

Die chemische verklaring zit in de opbouw van het voor de oranje kleur verantwoordelijke pigment, pheomelanine. Dat pigment wordt aangemaakt onder invloed van glutathion, een verbinding die bestaat uit drie aminozuren. Die stof is tevens een antioxidant, en bovendien relatief gevoelig voor straling.

Het andere pigment dat veel in veren voorkomt is eumelanine, dat een zwarte, donkerbruine of geelbruine kleur geeft. De aanmaak daarvan wordt juist geremd door de aanwezigheid van glutathion.

De redenering van de onderzoekers was nu dat vogels met relatief veel pheomelanine als het ware ontworpen zijn om over bovengemiddeld veel glutathion te beschikken. Ze zouden er dus ook het meeste last van moeten hebben wanneer dat glutathion door straling kapot gaat en niet meer beschikbaar is om de door diezelfde straling gegenereerde vrije radicalen weg te vangen.

Telling van 97 vogelsoorten in de omgeving van Tsjernobyl lijkt dat te bevestigen. Sinds de kernramp daar zijn 66 van die soorten duidelijk in aantal achteruit gegaan. En de soorten met veel pheomelanine kelderden daarbij het hardst.

Of de overige soorten, die in aantal zijn toegenomen, dat ook aan hun pigment te danken hebben of gewoon aan het wegvallen van de concurrentie, is niet duidelijk.

bron: FECYT

Onderwerpen