Voormalig laboratorium Leeuwenbergh in Utrecht is door de KNCV uitverkozen tot Nationaal Chemisch Erfgoed. Hier zette hoogleraar Gerrit Jan Mulder een nieuwe koers in gang. Hij legde de nadruk op praktisch handelen en gaf het laboratorium de centrale plaats in scheikundig onderwijs en onderzoek die het nu nog steeds inneemt.
‘Zulk eene wetenschap moet praktisch onderwezen; dat is: men moet niet slechts zelf handelen; maar vooral anderen laten handelen.’ Dat was het devies van Gerrit Jan Mulder toen hij in juli 1840 werd benoemd tot hoogleraar scheikunde aan de universiteit van Utrecht. En het moet gezegd, hij had wat dat betreft al de daad bij het woord gevoegd, want in Rotterdam had hij bij zijn vertrek van de Klinische School aldaar een uitstekend ingericht laboratorium achtergelaten.
Tijdens zijn eigen studie geneeskunde en zijn promotie bij Nicolaas de Fremery, ook in Utrecht, had hij aan den lijve ondervonden hoe het niet moest. Volgens zijn latere collega Pieter Harting bood het werk van De Fremery ‘geen enkel sprankje van genie, geen enkel blijk dat de spreker zich ooit met eigen onderzoek had beziggehouden. Dat aan dit onderwijs geene praktische oefeningen waren verbonden, zal wel niet behoeven gezegd te worden.’ In het laboratorium dat Mulder van zijn vroegere leermeester erfde—gelegen in een oud Minderbroederklooster op het Hoogt aan het Janskerkhof—werd uitsluitend college gegeven.

‘Eene schadelijke atmospheer’
Maar Utrecht hoefde niet heel lang te wachten tot hij in actie kwam. Mulder was nu eenmaal een man om wie niemand heen kon—waar hij zich ook mee bemoeide, binnen of buiten de wetenschap, hij kwam altijd in het middelpunt te staan. Hij was op vele terreinen actief en onderscheidde zich niet alleen als chemicus en arts, maar ook als volksopvoeder, politicus en overheidsadviseur. De keerzijde van de medaille was dat hij nogal lastig in de omgang was en al te gemakkelijk vijanden maakte.
Tot dan toe waren laboratoria eerder chemische werkplaatsen dan ruimtes waar wetenschappelijk onderzoek werd bedreven of onderwijs werd gegeven. Natuurlijke grondstoffen werden er omgezet in verbindingen met een praktische toepassing. Dat betekende oplossen, verbranden, smelten, mengen, destilleren, precipiteren in verschillende soorten vaten, die werden verwarmd, eerst met behulp van fornuizen en later met branders. Geen wonder dat de vergelijking met een keuken vaak wordt gemaakt. Maar de ‘keuken’ op het Hoogt voldeed niet, het was er ‘altoos eivol, en [er heerste] daarbij eene atmospheer van zure dampen om te stikken. Mij hinderde dat niet, maar er werd buiten-af over geklaagd, dat er eene schadelijke atmospheer was, en dat het locaal veel te bekrompen was.’ Aldus Mulder zelf.
Practicumzalen
Vandaar dat hij herhaaldelijk zijn beklag deed bij de curatoren, gesteund door het jaar na jaar toenemend aantal scheikundestudenten. Want Mulder was een uitstekend docent. De studenten liepen met hem weg en deden er alles aan om geen college te missen. Hij kreeg dan ook snel zijn zin: in de zomer van 1844 stelde de universiteit het vroegere gasthuis Leeuwenbergh beschikbaar als chemisch laboratorium. Voor tien jaar, en tegen een nader te bepalen huursom, die alleen nooit werd vastgesteld en dus ook nooit is betaald. Het gebouw was eind zestiende eeuw opgezet als pesthuis, werd na het rampjaar 1672 een militair ziekenhuis, om na te zijn afgebrand, volledig te worden herbouwd als gasthuis voor arme lieden. In de Franse tijd was het een kazerne geworden.
In die toestand viel het aan Mulder toe om er een chemisch laboratorium van te maken. Er moesten practicumzalen komen, voorzien van werktafels met spoelbakken, ovens, kastjes voor chemicaliën en—voor die tijd heel modern—(zuur)kasten. Er werd flink doorgewerkt, zodat de verbouwing op 1 juli 1845 klaar was en het laboratorium bij het begin van het studiejaar in september door een apetrotse Mulder en in aanwezigheid van vele notabelen kon worden geopend. In zijn openingsrede schetste hij de studie scheikunde ‘als eene aanleiding tot kennis, die waarachtig is; als een middel tot verstandelijke ontwikkeling, hetwelk niet faalt; als eene bron van hooger genot van den geest; als een grondslag van schepping van heerlijke gewrochten door het menschelijk verstand.’ Kom daar nu nog eens om.
[Lees verder onder de afbeelding]

Apothekers
Naast scheikundigen leidde Mulder in de Leeuwenbergh apothekers op die dienst gingen doen in Nederlands-Indië. Studenten medicijnen vormden evenwel zijn grootste groep, zij waren verplicht eerst een kandidaats in een natuurwetenschappelijke richting te halen alvorens zij met een geneeskundestudie verder konden. Met een scheikundestudie viel nauwelijks droog brood te verdienen. Dat veranderde pas na de oprichting van de HBS in 1863 waardoor het leraarschap tot een goed betaalde en aantrekkelijke positie uitgroeide.
Met enige verbouwingen bleef de Leeuwenbergh ook na Mulders emeritaat in 1867 tot het eind van de negentiende eeuw het scheikundelaboratorium van de Utrechtse universiteit en werd na de splitsing in een organische en een anorganische richting het werkterrein van Mulders zoon Eduard. Diens collega Hendrik Dibbits—ook een leerling van Mulder, net als nóg vier andere hoogleraren scheikunde in Nederland—kreeg het oude laboratorium op het Hoogt. Daar deed onder andere de latere Nobelprijswinnaar Henri van ’t Hoff zijn promotieonderzoek. Pas met de benoeming van Ernst Cohen in 1902, kwam er een gloednieuw ‘Van ’t Hoff laboratorium’ op het Sterrenbos. De gevelsteen daarvan is nog altijd te bewonderen op de zevende verdieping van het Hugo R. Kruyt-gebouw.
Nationaal Chemisch Erfgoed 2026
23 juni 2026, 15:00-19:00 uur






Nog geen opmerkingen