Eerder dit jaar werd lncRNA ook al in verband gebracht met autisme.

Aan bepaalde RNA-fragmenten in urine kun je aflezen of iemand prostaatkanker heeft. Werkt mogelijk veel beter dan de huidige screening, schrijven Amerikaanse onderzoekers in het Journal of Molecular Diagnostics.

Volgens Ranjan Perera en collega’s van het Sanford-Burnham instituut in Philadelphia meot je kijken naar zogeheten long noncoding RNA’s, afgekort lncRNA’s. Dat zijn stukken die niet voor een eiwit coderen maar te lang zijn om voor microRNA te worden uitgemaakt. Ooit werden ze beschouwd als een soort genetische ruis, maar inmiddels lijken ze net als die microRNA’s een belangrijke regelfunctie te hebben.

De onderzoekers hebben nu de totale RNA-productie van gezonde mensen vergeleken met die van prostaatkankerpatiënten. Celkweekjes, weefselmonsters en urine gaven alledrie hetzelfde beeld: verschillende lncRNA’s worden door kankerpatiënten in veel grotere hoeveelheden aangemaakt. Van eentje, genaamd SPRYY4-IT1, heeft men zelfs kunnen vaststellen dat hij echt iets met de tumorgroei te maken moet hebben: onderdruk je de activiteit, dan hebben de kankercellen duidelijk een probleem.

Volgens de publicatie zou dat lncRNA een veel specifiekere biomarker moeten zijn dan het prostaatspecifieke antigen PSA waar men nu routinematig naar kijkt, en die inmiddels berucht is als veroorzaker van overbodige medische handelingen. Van de mannen met een verhoogde PSA-spiegel blijkt maar een kwart daadwerkelijk prostaatkanker te hebben. En daarbij zitten dan ook nog heel veel tumoren die zo langzaam groeien dat de patiënt waarschijnlijk eerder overlijdt aan iets anders, zoals pure ouderdom.

Of je dat laatste verschil nu al uit de lncRNA’s kunt halen is niet helemaal duidelijk, maar de auteurs gaan er van uit dat het zeker moet kunnen.

bron: Elsevier