Hier zitten ze.

Een meer in Afrika zit nog altijd vol bacteriën die ijzer metaboliseren. In een tempo dat bevestigt dat hun voorouders wereldwijd verantwoordelijk waren voor enorme hoeveelheden ijzererts, zo blijkt uit een publicatie in Scientific Reports.

Het steunt een hypothese die een paar maanden geleden werd gelanceerd. Die houdt in dat de meeste Aardse ijzerertsafzettingen zijn ontstaan doordat bacteriën in de oceanen Fe2+ oxideerden tot veel slechter oplosbaar Fe3+, dat vervolgens naar de bodem zakte. Dat Fe2+ zou dan weer zijn gevormd door ijzerreducerende bacteriën, uit ijzer(III)oxide dat van het toenmalige vasteland af spoelde.

Je hebt het dan over 2,5 miljard jaar geleden, in het Pre-Cambrium, toen de Aardse atmosfeer nog vrijwel geen vrije zuurstof bevatte en ijzer voor de hand lag als alternatieve elektronendonor c.q. -acceptor.

Dat zulke bacteriën nog steeds bestaan was al langer duidelijk. Maar in het Kabuno-bassin, dat grenst aan het noordelijke uiteinde van het Kivumeer op de grens van Congo en Rwanda, blijken ze nog steeds de boventoon te voeren.

Die baai wordt van onderuit gevoed door mineraalrijke thermische bronnen. Op meer dan 10 m diepte bevat het water geen zuurstof en des te meer Fe2+, terwijl er nog wel voldoende licht in doordringt om aan een vorm van fotosynthese te doen. Voor de duidelijkheid: de verbinding met het meer is heel ondiep, zodat dat diepere water vrijwel niet wordt uitgewisseld.

En dus blijkt 30% van de daar aanwezige micro-organismen inderdaad met lichtenergie Fe2+ te ontdoen van een elektron, dat vervolgens dient om CO2 te reduceren als basis voor biomassa.

Van die biomassa én de Fe3+ leven weer andere bacteriën die er weer Fe2+ en CO2 van maken. Samen zorgen ze voor min of meer gesloten koolstof- en ijzerkringlopen.

Maar het tempo waarin het allemaal gebeurt blijkt hoog genoeg om de dikte van de 2,5 miljard jaar geleden gevormde ijzeroxidelagen te verklaren, als je even aanneemt dat de ijzerreducerende en -oxiderende bacterien toen in verschillende waterlagen zaten en de ijzerionen maar in één richting aan elkaar doorgaven.

bron: University of British Columbia