Daar gáát weer een klimaatmodel.

Dat de Groenlandse ijskap ooit 30 tot 60% kleiner was dan nu, hoeft niet per se te betekenen dat er door het broeikaseffect weer net zo veel vanaf gaat smelten. Er spelen meer factoren mee, melden Willem Jan van de Berg (Universiteit Utrecht) en collega’s op de website van Nature Geoscience.

Het betekent overigens óók niet dat er helemaal niets aan de hand is. De conclusie is eerder dat we gewoon niet zo goed kunnen voorspellen hoe die ijskap op klimaatverandering reageert.

Tot nu toe wordt het Eemien, de interglaciale periode die 130.000 tot 114.000 jaar geleden viel, vaak opgevoerd als voorbeeld van wat er kan gebeuren als het klimaat te sterk verandert. De gemiddelde temperatuur was toen 2 tot 4 graden Celsius hoger dan nu, dus ongeveer wat er wordt voorspeld voor het jaar 2100 als we niets aan het broeikaseffect doen.

Indertijd was het gevolg dat er alleen al op Groenland zo veel ijs smolt dat het zeeniveau er 2,2 tot 4,5 meter door steeg.

Maar de computersimulaties van Van de Berg laten zien dat slechts 55 procent van de dooi rechstreeks valt toe te schrijven aan te hogere temperatuur. De rest heeft te maken met het feit dat die hogere temperatuur in het Eemien niet werd veroorzaakt door een broeikaseffect, maar door afwijkingen in de baan van de aarde rond de zon. Daardoor kende Groenland in de zomer veel meer uren zon dan nu.

En dan krijg je ‘niet-lineair smeltgedrag’: als sneeuw smelt wordt ze minder wit, absorbeert daardoor meer zonlicht en smelt vervolgens nog harder. Ziedaar de overige 45 procent smeltwater.

Om te voorspellen hoe hard het Groenlandse ijs gaat smelten door de huidige klimaatverandering, moet je dus ook veranderingen in de hoeveelheid zonneschijn meenemen in je klimaatmodellen. Wat er dàn uitkomt, durft Van de Berg in het artikel niet te voorspellen.

bron: UU

Onderwerpen