Met Floris Rutjes haalt de KNCV een uiterst veelzijdige voorzitter binnen. ‘Ik vind het te beperkt om me alleen met onderzoek bezig te houden.’

O, O, O. Onderzoek, ondernemerschap en onderwijs. Op alle drie die gebieden onderscheidde Floris Rutjes zich, en daar is hij eigenlijk best trots op. In 2002 kende de KNCV hem een Gouden Medaille toe voor zijn prestaties in de organische synthese. In 2008 ontving hij de prijs voor de meest ondernemende wetenschapper van het jaar. En in 2014 kreeg hij de onderwijsprijs van de Nijmeegse bètafaculteit, waar hij naast hoogleraar ook vicedecaan is.

Resultaat

Rutjes ging chemie studeren omdat hij dat het leukste exacte vak vond. Dat hij twee inspirerende scheikundeleraren trof, waaronder voormalig C3-voorzitter Arne Mast, hielp wel. Vandaar ook dat hij tijdens zijn studie aan de UvA koos voor de organische richting: ‘De promovendi die daar de werkcolleges begeleidden, spraken me meer aan dan die bij anorganisch.’

Behalve van chemie, houdt hij ook van afwisseling. Dat je veel keuzes kunt maken met veel diversiteit draagt wat hem betreft bij aan de aantrekkelijkheid van het hoogleraarschap. ‘Al wil ik wel dat als ik iets doe, het resultaat oplevert.’

'Chemici kunnen een voorbeeld aan natuurkundigen nemen’


Het KNCV-voorzitterschap past helemaal binnen het plaatje. Het kwam niet uit de lucht vallen: eerder was Rutjes al bestuurslid van de secties Organische Chemie en Farmacochemie, en leidde hij de commissie die de Gouden Medailles toekent. ‘Een keer zitting nemen in het verenigingsbestuur vind ik dan wel een logische stap. En als voorzitter kun je beter een stempel drukken dan als lid.’ Net als zijn voorgangers wil hij twee jaar in functie blijven: ‘In het verleden was één jaar gebruikelijk, maar dat is te kort om iets voor elkaar te krijgen.’

Gesprekspartner

Die langere termijn vindt Rutjes onder meer belangrijk om een volwaardige gesprekspartner te kunnen zijn voor andere spelers binnen het vakgebied, zoals de Topsector Chemie, NWO Chemische Wetenschappen en werkgeversvereniging VNCI. ‘We moeten een helder antwoord zoeken op de vraag wat de huidige rol is van de KNCV, en wat de rol is die ze in de toekomst zou moeten spelen. Waar staan we voor, wat beogen we? We hebben ruim achtduizend leden. Dat vind ik een behoorlijk potentieel, waar je iets mee kunt.’

Niet dat Rutjes de controverse zoekt, integendeel. ‘Moet je zien hoe goed natuurkundigen en sterrenkundigen binnen hun eigen vakgebied met elkaar optrekken. Als chemici kunnen we daar een voorbeeld aan nemen, en de KNCV zou daar als maatschappelijke partij een belangrijke rol in kunnen spelen. Uiteindelijk gaat het om een gemeenschappelijk belang bij investeringen in de chemie. We profiteren allemaal van een sterke sector. Dat zou dan ook bij iedereen binnen de chemie op het netvlies moeten staan.’

Lidmaatschap

Maar ook het ledental van de KNCV verliest Rutjes niet uit het oog. De laatste jaren gaat het niet meer achteruit, maar desalniettemin blijft een punt van zorg. ‘Belangrijk is wat je voor je leden kunt betekenen, en waarop je wilt inzetten. We werven nu vooral nieuwe leden onder bachelorstudenten, die we een jaar gratis lidmaatschap aanbieden. Maar eerstejaars zijn nog lang niet toe aan hun eerste baan. Als loopbaanoriëntatie een belangrijke KNCV-activiteit is, kun je dan niet beter inzetten op het werven van masters?’ Traditioneel gold die groep als moeilijk vindbaar: waar bachelors allemaal tegelijk instromen en tijdens kennismakingsperiodes eenvoudig zijn te bereiken, begonnen masters verspreid over het jaar. Maar volgens Rutjes heeft de harde knip tussen bachelor- en masterfase dit probleem grotendeels verholpen: ‘Nu stroomt het gros van de masters ook gewoon in september in.’ Dat er veel buitenlanders tussen zitten, beperkt het potentieel wel een beetje. ‘Een Engelstalige KNCV moeten we in de huidige constellatie niet willen.’

‘Een Engelstalige KNCV moeten we niet willen.’


Buiten de universiteiten denkt hij de KNCV te kunnen profileren als vraagbaak voor publieksmedia. ‘Ik zie dat het nieuws chemische zaken vaak verkeerd voorstelt. Dan noemen ze weer sodium als ze natrium bedoelen. Het zou mooi zijn wanneer journalisten de KNCV zouden bellen voor een laagdrempelige check of iets wel klopt.’

Een ondernemer wil Rutjes nadrukkelijk niet zijn, al lijkt het soms anders. Bij de drie spin-offs, die zijn onderzoek tot nu toe opleverde, is hij hooguit betrokken als wetenschappelijk adviseur. ‘Als je een molecuul maakt, kun je het ook verkopen. We doen veel onderzoek dat gemakkelijk de transitie kan maken naar een commercieel product, we stimuleren het octrooieren van ontdekkingen en we trainen studenten in het schrijven van businessplannen. Maar ik wil de commercialisering niet zelf doen. Ik ben een onderzoeker.’

iLAB

Toevallig is de focus op praktische toepasbaarheid niet. ‘De laatste vijf jaar halen we heel veel EU-geld op. Een beoordelingscriterium is dan vaak dat het onderzoek moet bijdragen aan de economische ontwikkeling van de regio.’

Zijn enthousiasme voor valorisatie bracht hem als vanzelf in contact met de Top­sector Chemie. Die riep zijn hulp in bij het optuigen van een netwerk van ‘innovation labs’, iLABs, voor starters binnen de sector. ‘Die bieden chemische labfaciliteiten, die gewone incubatoren vaak niet hebben, en daarnaast diensten zoals coaching en financiering. De incubatoren aan de TU/e en hier in Nijmegen voldeden al aan de randvoorwaarden, en dienden als blauwdruk voor de rest. Binnenkort heeft elke universiteit waar scheikundig onderzoek plaatsvindt een iLAB.’

Al met al is het bijna verbazend dat hij naast alle nevenactiviteiten nog tijd overhoudt voor de wetenschap. ‘Het is wel een punt van zorg’, geeft hij toe. ‘Maar het kan. Het blijft leuk om na te denken over chemie, en mensen te begeleiden. Het is wel belangrijk dat iemand anders zorgt voor de dagelijkse begeleiding, anders zou het niet meer lukken.’