Deze eet gelukkig liever zeeëgels.

Plakkerige polymeren uit zeewier zijn de oorzaak dat zeeotters toxoplasmose kunnen oplopen. En dat geldt ook voor zeedieren die wél door mensen worden gegeten, melden Califorische onderzoekers in Proceedings of the Royal Society B.

Zoals bekend wordt toxoplasmose veroorzaakt door de parasiet Toxoplasma gondii. Die plant zich alleen geslachtelijk voort in katachtigen. De larven (oöcysten) worden uitgepoept; via de kattendrek kunnen ze andere diersoorten inclusief de mens besmetten. De kring sluit zich als een van die dieren vervolgens wordt opgegeten door een andere kat.

Het effect van de oöcysten op de drager varieert. Muizen schijnen er enigszins roekeloos van te worden, zodat ze sneller door de kat worden gegrepen. Mensen met een verzwakt immuunsysteem kúnnen er ernstig ziek van worden, maar hebben meestal nergens last van. Om de een of andere reden kunnen zeeotters er echter heel slecht tegen: ze krijgen er ernstige verlammingsverschijnselen van. Momenteel vormt toxoplasmose een ernstige bedreiging voor de zeeotterstand in de Californische wateren.

Tot nu toe was alleen de vraag hoe een zeeotter in vredesnaam aan oöcysten uit kattenpoep kon komen. Dat die poep via het riool in zee stroomt is logisch, maar de oöcysten wassen er dan meteen uit en los lijken ze te klein om te blijven hangen in welk zeedier dan ook.

De sleutel zat uiteindelijk in de waarneming dat niet alle zeeotters dezelfde prooidieren prefereren, en dat exemplaren die toevallig de voorkeur geven aan zeeslakjes een tienmaal grotere kans op besmetting met T.gondii blijken te lopen.

Wat er gebeurt is dat de oöcysten blijven plakken op de slijmerige biopolymeerlaag, die op het oppervlak van zeewier zit. De slakjes voeden zich door dat zeewier letterlijk af te schrapen, en krijgen zo de oöcysten onbeschadigd binnen.

Het alternatief is dat die biopolymeren loskomen en de lijm vormen die aggregaten van organische en anorganische resten (‘zeesneeuw’, een volkomen natuurlijk verschijnsel) bij elkaar houdt. Ook dáárop kunnen de oöcysten blijven plakken. Die aggregaten zijn groot genoeg om a) naar de bodem te zakken en b) na aankomst te worden geconsumeerd door mosselen en andere schelpdieren die een losse oöcyst gewoon zouden laten glippen. Op die manier kan een zeeotter (of een mens!) uiteindelijk ook worden besmet, al is die kans kennelijk wat kleiner.

De remedie was uiteraard al bekend: zorgen dat er zo weinig mogelijk kattendrek in het riool terecht komt.

bron: UC Davis