Evolutionaire hotspots.

De uiteinden van chromosomen zijn dermate instabiel dat de daar aanwezige genen relatief vaak per ongeluk worden gedupliceerd. Een van de twee kopieën heeft vervolgens de vrijheid om te muteren tot een gen met een nieuwe functie. En dat is weer een belangrijke reden waarom evolutie soms heel snel kan gaan, zo stellen Vlaamse en Amerikaanse wetenschappers op de website van Current Biology.

Die chromosoomuiteinden (‘subtelomeren’) kun je dus beschouwen als evolutionaire laboratoria, ‘gene nurseries’ waar voortdurend nieuwe genen worden uitgetest, zo vat een persbericht van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) het samen.

Kevin Verstrepen (tot voor kort Harvard, nu K.U. Leuven), Andrew Murray (nog steeds Harvard) en promovendus Chris Brown onderzochten dit verschijnsel bij biergistcellen. De genen voor de omzetting van suikers in alcohol liggen in het subtelomere gebied, en moeten ooit vrij massaal zijn gedupliceerd. Vervolgens specialiseerde elk duplicaat zich in de omzetting van een ander type suiker. Als dat niet was gebeurd, zou het anno 2010 een stuk meer moeite kosten om bier te brouwen.

Waarschijnlijk heeft dit stukje evolutie al plaatsgevonden in het Krijt-tijdperk, dus in de hoogtijdagen van de dinosauriërs. Toen ontstonden de huidige zoete vruchten en granen, en daarmee de eerste ecologische niche voor multifunctionele gistcellen.

Brown heeft nu zowel experimenteel als via computersimulaties kunnen aantonen dat het echt zo werkt, en waarschijnlijk niet alleen bij gisten maar bij alle eukaryoten inclusief de mens.

Kan iemand dus even nakijken welke menselijke genen in subtelomere gebieden liggen?

bron: VIB

Onderwerpen