Achterhaald plaatje van de slag bij Raphia: de linker olifant moet groter zijn.

De olifanten in Eritrea stammen af van savanneolifanten en niet van bosolifanten of verdwaalde Aziaten. Analyse van DNA in hun keutels wijst uit dat ze nog het meeste lijken op Oostafrikaanse savanneolifanten, schrijven Amerikaanse onderzoekers in het Journal of Heridity.

Het bewijst dat de Griekse historicus Polybios er naast zat in zijn beschrijving van de slag bij Raphia, in 217 voor Christus. Voor zover bekend is dat de enige keer in de geschiedenis geweest dat Afrkaanse en Aziatische oorlogsolifanten tegen elkaar vochten. De Afrikaanse exemplaren waren door de Egyptische koning Ptolemaeus aangeschaft in Eritrea. Toen het er op aankwam gingen ze er met de staart tussen de benen vandoor, en Polybios schrijft dat dat was omdat ze kleiner waren dan de Aziatische tegenstanders.

Veel later was het voor Linnaeus reden om de Aziatische olifant de Latijnse naam Elephas maximus (letterlijk: grootste olifant) mee te geven.

Nóg later zagen biologen de savanneolifant (Loxodonta africana) wat vaker van dichtbij en ontdekten dat die gewoonlijk juist groter is dan de Aziatische. Het leidde tot de theorie dat Ptolemaeus’ olifanten bosolifanten (L. cyclotis) moesten zijn geweest, want die zijn wél kleiner.

In het mitochondriale DNA in de Eritrese keutels (dichter in de buurt van de olifanten durfden de onderzoekers niet te komen) blijkt echter geen spoor te vinden van een bos- of een Aziatische olifant. Het is puur mitochondriaal savanneolifanten-DNA.

Zoals bekend wordt mitochondriaal DNA alleen door de moeder doorgegeven. En aangezien het bij olifanten nu juist de koeien zijn die voor de continuïteit van de kudde zorgen, mag je er veilig van uitgaan dat de Eritrese kuddes al heel lang uit savanneolifanten hebben bestaan.

Polybios kletste dus vermoedelijk uit zijn nek. Ptolemaeus’ olifanten moeten niet kleiner, maar groter zijn geweest dan die van zijn tegenstander Antiochus. Wellicht is de arme koning het slachtoffer geworden van het feit dat savanneolifanten zich slecht laten temmen.

De analyse van zowel kern- als mitochondriaal DNA bevestigt tevens het vermoeden dat deze olifanten een nijpend gebrek vertonen aan genetische diversiteit. Er zijn er naar schatting nog zo’n 120 over, die niet of nauwelijks contact hebben met populaties in andere gebieden. Ze zitten dus tegen inteelt aan. De onderzoekers suggereren dat het op termijn wellicht nuttig is om er een paar Oostafrikaanse olifanten tussen te zetten.

bron: University of Illinois

Onderwerpen