In Bolivia schijnen ze echt bijensoep te eten.

Om bijenpopulaties te monitoren kun je het beste grote aantallen vangen, eerst door de blender en dan door de sequencer halen, en dan uit het DNA afleiden welke soorten het waren. Dat stellen Engelse en Chinese onderzoekers in het tijdschrift Methods in Ecology and Evolution.

Nu worden bijen en andere insecten nog individueel geïdentificeerd onder de microscoop, al dan niet met een speld door hun lijf. Maar om op statistisch verantwoorde wijze te kunnen bijhouden of populaties van een bepaalde soort snel achteruitgaan (of juist niet omdat de milieumaatregelen werken) werkt die microscoop veel te langzaam. Te meer omdat je alleen in het Verenigd Koninkrijk al 300 soorten wilde bijen hebt, die soms moeilijk uit elkaar zijn te houden.

Vandaar de ‘bijensoepmethode’, die specifiek kijkt naar mitochondriaal DNA dat voor elke soort verschillend is. De interpretatie laat je aan een computer over, wat de kans op fouten flink zou moeten verkleinen.

Als je vervolgens aanneemt dat de hoeveelheid mitochondriën per gram bijen-biomassa ongeveer constant is, kun je uit het aantal gevonden DNA-fragmenten redelijk goed afleiden wat de getalsverhoudingen tussen de soorten zijn. Handig daarbij is dat in het analyseprotocol geen PCR of een andere DNA-vermenigvuldigingsstap voorkomt, die de verhoudingen zou kunnen vertekenen.

Douglas Yu (University of East Anglia) en collega’s hebben tot nu toe het mitochondriale genoom van 48 Britse bijensoorten in de computer zitten. Een eerste soepje met 204 bijen die nog wél eerst onder de microscoop waren gelegd en tot 33 verschillende soorten leken te behoren, kon er heel redelijk mee worden geïdentificeerd.

Yu tekent er bij aan dat het aantal bijen, dat in de soep belandt, nog steeds maar een heel klein deel is van de totale populatie. Hij is dus niet bang dat hij zélf een substantiële bijdrage aan de bijensterfte levert.

bron: University of East Anglia