Dat gekloonde embryo’s zelden normaal ter wereld komen, komt onder meer doordat ze de eerste dagen te weinig aminozuren van hun moeder krijgen. Dat wijst weer op een verstoorde moeder-kloonrelatie, stellen Duitse onderzoekers.

In het tijdschrift Cellular Reprogramming doen ze verslag van een onderzoek waarbij ze vloeistof aftapten uit de baarmoeders van 18 zojuist geslachte runderen. Een deel van de dieren was 11 dagen eerder via in-vitrofertilisatie (IVF) voorzien van een ‘gewoon’ embryo, de rest had een via ‘somatic cell nuclear transfer’ (SCNT) gecreëerde kloon geïmplanteerd gekregen.

Met vloeistofchromatografie en tandem-massaspectrometrie werden de gehaltes van 41 aminozuren en daarvan afgeleide stoffen in die monsters bepaald. Bij de SCNT-koeien bleken die vaak veel lager dan bij de IVF-koeien: het verschil varieerde van een factor 1,5 voor L-fenylalanine tot een factor 4 voor L-glutaminezuur en L-asparaginezuur. Ook het gehalte aan aminozuur-transporteiwitten bleek duidelijk lager.

Waar het aan ligt is nog niet duidelijk. Een aanwijzing zou kunnen zijn dat bij de SCNT-koeien het gehalte aan O-fosfo-ethanolamine maar liefst een factor 11 lager was. Deze stof is een afbraakproduct van fosfolipiden, wat dus weer wijst op een verstoorde fosfolipidehuishouding. En aangezien fosfolipiden niet alleen celmembranen vormen maar ook bepaalde signaalfuncties hebben, zou hier de grond voor de gebrekkige aminozuurverstrekking kunnen zitten.

Of het bij mensen ook zo werkt is - ahum - wat lastig te onderzoeken.

bron: Liebert

Onderwerpen