Met een eenvoudige wijziging worden experimentele vogelgriepvarianten ongevaarlijk voor mensen terwijl ze proefdieren gewoon blijven besmetten. Dat maakt het onderzoek heel wat minder riskant, suggereren Amerikaanse onderzoekers in Nature Biotechnology.

Benjamin tenOever en collega’s denken dan vooral aan de controversiële ‘gain of function’-experimenten van onder meer de Rotterdamse viroloog Ron Fouchier. Daarbij wordt gekeken welke mutaties nodig zijn om zo’n virus overdraagbaar te maken van mens op mens. Veel wetenschappers vinden zulk onderzoek noodzakelijk om te weten te komen wanneer je je zorgen moet gaan maken over de mutaties die je in de vrije natuur ziet optreden in het virus. Maar anderen maken zich eerder zorgen over het risico dat zo’n kunstmatig gemodificeerde variant uit het lab ontsnapt of wordt gestolen, en de mensheid uitroeit voordat de vrije natuur daarvoor überhaupt de kans krijgt.

Voor zulke experimenten worden bij voorkeur fretten gebruikt, omdat de longfuncties van deze diersoort zeer sterk lijken op die van de mens. En tenOevers idee is nu om gebruik te maken van de subtiele verschillen die er toch nog tussen beide soorten bestaan.

Om precies te zijn gebruikt hij een micro-RNA genaamd miR-192, dat door mensen en muizen van nature wordt aangemaakt maar door fretten niet.

In het RNA van het influenzavirus bouw je op enkele plekken een sequentie in die complementair is aan miR-192. Die plekken kies je zo uit dat de gewijzigde code geen merkbare gevolgen heeft voor het resulterende virus. Maar als er miR-192 aanwezig is, zal zich dat wél aan het gemodificeerde virale RNA hechten en de verdere uitlezing onmogelijk maken.

De eerste experimenten laten zien dat het werkt. In fretten gedijt het gemodificeerde virus nog altijd prima, maar in muizen vermenigvuldigt het zich niet meer.

De onderzoekers kunnen zich voorstellen dat het virus soms zal muteren zodat het alsnog aan het micro-RNA ontsnapt. Maar in de praktijk hebben ze het nog niet zien gebeuren, en ze suggereren dat je de kans nog verder kunt verkleinen door de aangrijpingspunten voor de micro-RNA’s op een aantal verschillende plekken tegelijk in te bouwen.

Met andere woorden: er kan altijd nog iets gebeuren maar het risico wordt dusdanig klein dat je het wel kunt lopen.

Ze voegen er aan toe dat deze benadering bruikbaar zou moeten zijn voor álle RNA-virussen waar je proefjes mee wenst te doen.

bron: Mount Sinai School of Medicine

Onderwerpen