BASF-bestuurder Wouter De Geest kan iedereen een carrière binnen de chemie aanraden. Omdat je daar meewerkt aan oplossingen voor de maatschappelijke uitdagingen van morgen.

Chemie is sexy, vindt Wouter De Geest, ceo van BASF Antwerpen. ‘Ik ken weinig sectoren die zo bezig zijn met de fundamentals van de grote problemen in de wereld. De wereldbevolking, het energievraagstuk, het mobiliteitsvraagstuk, de toenemende urbanisatie, enzovoort.’ Vandaar dat de 62-jarige gedelegeerd bestuurder van BASF Antwerpen, door het tijdschrift Knack ooit omschreven als missionaris van de Belgische chemie, graag reclame maakt voor scheikundestudies. En trouwens ook voor andere technisch-wetenschappelijke studierichtingen.

‘Ik geloof dat de wereld behoefte heeft aan goede wetenschap. Die geeft de aanzet voor juiste reglementering en voor de manier waarop ondernemingen zich kunnen positioneren en heruitvinden. Dat is iets totaal anders dan een puur ideologisch gedreven debat. De stem van de wetenschap moet worden gehoord.’

En dan te bedenken dat hij zelf rechten heeft gestudeerd. Toen had hij niet kunnen dromen dat hij nu uitkijkt op een van de grootste petrochemische sites van de Benelux, en ook nog kan aanwijzen welke fabriek wat maakt. ‘De eerste keer dat ik hier binnenkwam, in oktober 1982, keek ik door het raam en dacht: wel, wel, wel. Maar het bevestigde mijn keuze: dit is allemaal door mensen gerealiseerd en dat is toch formidabel. Elke dag weer ben ik verwonderd over wat hier allemaal gebeurt.’

 

Hoe ben je hier beland?

‘Als het leven alleen zou bestaan uit dingen die je verwacht, dan zou het zeer saai zijn. Eigenlijk tikte bij mij altijd al de interesse naar het ondernemingsleven. Daar gebeurt iets, daar creëren ze toegevoegde waarde. Ik was nog niet zo bezig met omzet en cashflows, maar ik wilde wel zinvolle dingen doen voor de maatschappij. En de juridische dienst van BASF was op zoek naar een jurist.’

 

Had je achteraf niet liever scheikunde gestudeerd?

‘Nee. Ik zeg altijd: doe die dingen die u op dat moment graag doet en waar u zich goed bij voelt. Het was begin jaren zeventig en ik wilde maatschappelijke debatten mee vormgeven. Een rechtenstudie leek daartoe een ideale mogelijkheid te bieden. Ik heb daar nooit spijt van gehad.

 

‘Een chemicus moet kaas hebben gegeten van allerlei disciplines’

Ik hoef ook geen chemicus te zijn, of technoloog of ingenieur. Ik zie dat wij meer en meer weggaan van wat ik lineair denken noem. Dat van A altijd B komt en daarna C enzovoort. In een bedrijf gaat het tegenwoordig meer over het verbinden van individuen met al hun competenties, om samen complexe problemen aan te pakken. Dat heeft niets meer te maken met structuren of disciplines. En juist doordat ik zelf geen chemie heb gestudeerd, heb ik oor naar wat chemici of ingenieurs mij vertellen over hun problemen. Wie geen expert is in de materie stelt soms wel de juiste vragen. Vandaar dat ik aan jonge mensen zou willen zeggen: uw studierichting is niet het alfa en het omega. Als u het in u hebt, kunt u met élk diploma in een chemieonderneming werken.’

 

Maar willen ze dat wel?

‘Wel, ik heb natuurlijk de tijd meegemaakt dat de chemie in de verdomhoek zat. Sandoz, Seveso, vervuiling en zware incidenten, in de perceptie van de mensen stond ze bijna lager dan kerncentrales. Maar ik heb ook mogen meemaken hoe ze weer wist op te klimmen, tot ze weer gezien werd als een waardevolle sector.

Jongeren in Vlaanderen en wellicht ook in Nederland zien proceschemie niet alleen als vakgebied voor de toekomst omdat daar werk zal zijn, maar vooral ook omdat onze sector uitdagingen biedt en ze kunnen blijven leren. Jongeren vandaag hechten veel belang aan een bedrijfscultuur en ondernemingswaarden die aansluiten bij hun persoonlijke leefwereld. Die vinden ze terug in de chemische sector.’

 

Sommige fabrieken staan hier al meer dan veertig jaar.

‘Het is net als bij mensen: biologisch word je ouder, maar de vraag is of je fit blijft. BASF Antwerpen is vijftig jaar geleden begonnen, maar de leeftijd is niet het criterium. We vernieuwen de installaties constant, opdat ze tot de wereldtop blijven behoren. De laatste twintig jaar is de output verdrievoudigd, terwijl de uitstoot van broeikasgassen met 40 % daalde.

Weet u, voor warmtecreatie hebben wij haast geen fossiele brandstoffen meer nodig. We hebben exotherme en endotherme processen zo op elkaar afgestemd dat we alleen nog stoom moeten opwekken als een exotherme installatie eventjes niet functioneert. Dat is wat we bij BASF een Verbund noemen.’

 

Dus BASF gebruikt bijna geen fossiele brandstoffen meer?

‘Fossiele brandstoffen zijn bij ons niet zozeer brandstof, maar veeleer een grondstof. Wij veredelen ze. Wij maken er producten van die helemaal aan het einde, na alle recyclingloops, nog altijd hun energieke inhoud hebben behouden. Als één sector op de wereld recht heeft op de laatste druppel olie, dan is het de chemie. Want die zorgt ervoor dat de waarde ervan behouden blijft.’

 

Maakt dat de inzet van groene grondstoffen overbodig?

‘Dat heb ik niet gezegd. Alternatieve grondstoffen bekijken is altijd een taak van de chemie geweest. Ze zal producten baseren op biogrondstoffen, omdat de technologie evolueert én omdat de markt erom vraagt. Maar veel blijft afkomstig uit fossiele grondstoffen. Je moet consequent een volledige levenscyclusanalyse doen, de totale impact op de samenleving meenemen en dan kiezen voor de stoffen die het meest duurzaam zijn over de ganse lijn. De discussie die zich af en toe voordoet tussen de zogenaamde ‘oude’ en ‘nieuwe’ chemie, is een verkeerde discussie. We hebben ze alle twee nodig.’

 

Je verwacht dus dat dit complex er nog wel even staat.

‘Doemdenkers zijn er altijd geweest, maar hun voorspellingen komen nooit uit. Omdat ze de toekomst alleen kunnen zien als een extrapolatie van het verleden en voorbijgaan aan de kracht van de mens zelf.

 

‘De chemie heeft recht op de laatste druppel olie’

Er is een verschil tussen doemdenken en realiteitsdenken. Dat laatste is kansen, bedreigingen en zwakheden zien en op basis daarvan een actieplan opzetten. Om je 150-jarig bestaan te halen, moet je jezelf telkens heruitvinden. Dat doe je niet wanneer je in een doemscenario zit.’

 

Een bedrijf als DSM heeft zichzelf ook heruitgevonden. Met als gevolg dat de hele petrochemie in de verkoop ging.

‘Elke onderneming moet voor zichzelf bepalen op welke gebieden ze nog wil inzetten. DSM heeft die activiteiten verkocht, BASF heeft ze nog altijd zelf. Ik weet niet op welke activiteiten onze focus zal liggen over vijftig jaar. Ik weet wel dat we op permanente basis aan actief portfoliomanagement doen en ons portfolio herfocussen, rekening houdend met alle omgevingsfactoren. Zo zijn de styreenfabrieken op onze site nu van Ineos en de minerale meststoffen van EuroChem. Maar alles staat hier nog, alle mensen zijn er nog en ze zijn zeer succesvol bezig.’

 

Zet je zo het zorgvuldig opgebouwde Verbund niet op het spel?

‘Tot nu toe is dat totaal overeind gebleven. Iedereen ziet wel dat dit het verstandigste model is en dat we er allemaal voordeel van hebben. U weet dat Avantium overweegt om een nieuwe fabriek te bouwen op ons terrein. Die gaan we ook inte­greren.’

 

BASF is gegroeid in een andere tijd. Kan een hedendaagse start-up ooit nog zo groot worden?

‘Alleen in opkomende economieën is nog ruimte voor de bouw van zulke molochs. Denk aan de Sabics en de Sinopecs van deze wereld. Schaal blijft belangrijk in de chemie, maar mijn persoonlijke overtuiging is dat ze in Europa eerder moet gaan komen uit netwerken van kleinere onder­nemingen.’

Moeten we jonge mensen anders gaan opleiden om ze op die nieuwe wereld voor te bereiden? Als ze ergens lineair denken, is het in het onderwijs.

‘Zeker. Mijn eigen kinderen krijgen bijna hetzelfde soort onderwijs als toen ik naar school ging. Maar in de wonderbare wereld van ondernemingen bestaan geen hoorcolleges. Een chemicus die hier komt werken is niet meer in een klein kolfje bezig. Die moet kaas hebben gegeten van allerlei disciplines en we verwachten van hem of haar dat hij samenwerkt, over die disciplines heen. In het onderwijs is dat element jammer genoeg nog veel te weinig aanwezig. Onze onderwijsmodellen zullen zich moeten aanpassen. Ze moeten naar vormen van wat ik blended learning noem, waar je verschillende leersystemen aan elkaar koppelt: leren via inzichten die je verwerft, door dingen te doen, door samen met andere disciplines over een probleem na te denken.’

 

Kun je dat van de huidige leraren vragen?

‘Ondernemingen zouden de deuren voor ze moeten openen. Om de zoveel jaar zouden leraren een opfriscursus moeten volgen, net zoals wij van onze medewerkers verlangen. Omgekeerd ben ik ervan overtuigd dat heel veel mensen binnen ondernemingen niets liever zouden doen dan hun kennis en inzichten delen met jongeren. De interactie tussen die twee werelden is zeker nog niet structureel. Stel je voor welke formidabele formules zouden kunnen worden uitgedacht als we die mentale barrière afbreken.’

 

Welke extra vakken zou je scheikunde­studenten in de tussentijd aanraden?

‘Ten eerste vakken die te maken hebben met technologie. Collega’s die in de automatisering en de procestechniek bezig zijn, zullen scheikundigen overstelpen met onvoorstelbaar veel data. Inzicht in digitale technieken, in algoritmes en dat soort zaken, zou in de studie moeten worden geïntegreerd.

Maar je moet tevens inzicht hebben in hoe markten functioneren en hoe je wensen van klanten kunt verstaan. En ook economisch inzicht is belangrijk. Koken kost nu eenmaal geld. Je kunt zeggen: ik heb iets fantastisch gevonden, waarom pikken ze dat niet op? Omdat het niet rendabel is, maar wat is dan rendabiliteit? Binnen een onderneming krijg je het uiteindelijk wel mee, maar het zou mooi zijn als opleidingen er vanaf het begin aandacht aan be­steden.

Er zou ook meer aandacht moeten komen voor de grote maatschappelijke uitdagingen. Dat geldt voor álle studenten in welke richting dan ook. Want het is wat ons bezighoudt, of zou moeten bezighouden in de wereld.’