In mei van dit jaar maakten zo’n 25.000 leerlingen het centraal examen scheikunde vwo. Evert Limburg (Cito), Jacqueline Wooning (College voor Toetsen en Examens), Theo Reijnen (scheikundedocent) en Chantal Tiemessen (eindexamenkandidaat 2021) geven een kijkje achter de schermen en blikken terug.

Eindexamen

Beeld: Shutterstock

Evert Limburg is toetsdeskundige scheikunde bij Cito. Hij heeft 23 jaar lesgegeven in het vak en sinds 2009 is hij werkzaam bij Cito. De laatste vier jaar is hij ook verantwoordelijk voor NaSk-KB. Samen met drie vwo-docenten stelt hij de scheikunde-examens samen. Dat begint vier tot vijf jaar vóór het examen wordt afgenomen, bij de constructieopdracht. Bij de formulering van het eindexamenprogramma bepaalt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de onderwerpen waarop getoetst moet worden. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is de opdrachtgever. Zij bepalen de randvoorwaarden, zoals hoe lang het examen moet zijn en hoe veel er over een bepaald domein moet gaan. Limburg werkt deze eisen uit met de docenten in zijn team. Zij maken de vragen en duiken daarvoor onder andere in de recente ontwikkelingen. Limburg zet vervolgens alles bij elkaar en rondt de eerste versie van het examen af.

Nadat de vaststellingscommissie van het CvTE het concept heeft goedgekeurd, komt het examen in de try-out. Vijf scholen proberen een van de vragen uit en in overleg met de commissie komt Limburgs team tot een nieuwe versie.

‘Je moet actief in het veld staan. Je moet de leerlingen kennen en weten wat ze kunnen.’

Evert Limburg

Limburg jul21_foto

Evert Limburg

Dan komt een grootschalige proef: de pre-test. Maximaal tien scholen test elke opgave om te zien hoe vwo-leerlingen in het zesde jaar scoren. Dat is twee jaar voor het uiteindelijke examen plaatsvindt. Na de pre-test maakt Limburg een nieuwe versie. Er vinden screenings plaats door onder andere externe experts. Nadat de vaststellingscommissie deze versie heeft goedgekeurd, vinden de allerlaatste controles plaats en uiteindelijk gaat het examen naar de drukker. Van daaruit zorgt Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) dat de examens op de scholen terecht komen. Dat gebeurt zo laat mogelijk, zodat de geheime centrale examens zo kort mogelijk op de scholen zijn.

Zowel de bedenkers van de vragen als de leden van de vaststellingscommissie zijn actieve scheikundedocenten. Limburg: ‘Dat is een eis. Je moet actief in het veld staan, je moet de leerlingen kennen en weten wat ze kunnen.’ Jaarlijks zijn in totaal zo’n veertig scheikundedocenten uit het veld betrokken bij het opstellen van de examens.

Normering

Uiteindelijk moeten alle leerlingen een resultaat krijgen dat past bij hun prestatie. Dat is onder meer de taak van Jacqueline Wooning, clustermanager natuurkunde en scheikunde bij het CvTE en daarnaast manager normering. De natuurkundige zit al twaalf jaar in het vak. Daarvoor stond ze zeven jaar voor de klas als docent natuurkunde, nlt en wiskunde.

Wooning legt uit dat examens een zekere mate van voorspelbaarheid moeten hebben. ‘Elk examen moet nieuw zijn en de vragen blijven strikt geheim, maar als de onderwerpen totaal anders zijn, weten de leerlingen ook niet waar ze aan toe zijn. Ook het niveau moet enigszins constant zijn. Het is heel moeilijk om dit exact constant te houden, vandaar de N-term.’

‘Het is heel moeilijk om het niveau exact constant te houden, vandaar de N-term.’

Jacqueline Wooning

Dit jaar verloopt die normeringsprocedure via de N-term iets anders dan normaal. Het diploma moet elk jaar dezelfde waarde hebben, maar die waarde staat onder druk vanwege de coronapandemie. Wooning legt uit: ‘We hebben de opdracht gekregen om de prestatie-eis gelijk te houden. Er is wel ruimte gekomen in de planning: leerlingen kunnen hun examens verdelen over twee tijdvakken en ze mogen vaker herkansen. Verder mogen de leerlingen één vak wegstrepen van hun eindlijst. Zonder dat vak zijn ze dan alsnog geslaagd. Op de andere vakken gelden de normale uitslagregels. ’

Klachten

Het LAKS verzamelt jaarlijks alle klachten van leerlingen over de examens. De meesten komen niet bij het CvTE terecht. ‘LAKS filtert klachten over de inhoud er voor ons uit’, legt Wooning uit. ‘Als zij denken dat er een fout in het examen zit, komt het bij ons terecht. De andere bron zijn de docenten. We hebben een examenlijn, waar docenten meldingen kunnen doen van mogelijke fouten. Voor scheikunde worden die onder andere door Evert en de vaststellingscommissie beoordeeld.’

Als er een fout aanwezig is, wordt er actie ondernomen. Dat kan een aanvulling op het correctievoorschrift zijn, het neutraliseren van een vraag of compensatie via de N-term. Wooning: ‘Soms is dat de enige manier om te zorgen dat alle leerlingen recht wordt gedaan.’

Soms is er feedback die direct meegenomen kan worden in het volgende examen. Limburg: ‘Dit jaar kon ik zo’n aanpassing meteen doorvoeren. Als ik een Lewis-structuur teken met een minlading, kreeg ik het commentaar om er een rondje omheen te zetten. Voor de tekst van de opgaven is dat lastig, want examens zijn al vastgesteld en die ga je niet openbreken. In uitzonderlijke gevallen doen we dat wel, maar op een laat moment wijzigingen doorvoeren brengt altijd risico’s met zich mee. Andere punten komen pas twee, drie of vier jaar later aan bod.’

Docenten dienen vaak klachten in over de spreiding over verschillende onderwerpen. Wooning en haar collega’s nemen deze opmerkingen mee in de evaluatie. Ze kijken dan of het examen uit balans was en hoe ze herhaling kunnen voorkomen.

Voldoende

Een van die docenten is Theo Reijnen. Hij geeft al meer dan twintig jaar scheikunde op het vmbo, havo en vwo en is zeer ervaren met eindexamenklassen. Een paar jaar terug deed hij mee aan de zogenaamde precorrectie, waarin docenten op basis van hun vakinhoudelijke expertise aanbevelingen doen voor aanscherpingen van het correctiemodel. Hij doet altijd mee met de landelijke examenbespreking.

Het vwo-examen van dit jaar vond hij voldoende. Reijnen: ‘Ik zou tijdvakken 1 en 2 met een 6 à 7 beoordelen. Ik vond het lastig dat er twee vijfpuntsvragen in zaten met beide een significantiepunt. De regels voor significantie zijn in 2020 aangepast en je kon merken dat niet iedere collega dat mee had gekregen. Er waren verder vragen bij die leerlingen lastig vonden, maar waar niet veel punten te verdienen waren. Het begon moeilijk, maar het eind was iets makkelijker. Ik zag geen leerlingen die in tijdnood waren. ’

Met de DNA-vraag (tijdvak 1, vraag 12) had hij niets. ‘Ik vind het een biologievraag. Leerlingen zonder biologie vonden dat verschrikkelijke lastig. Je kon vier punten krijgen voor deze vraag, terwijl je het volgens mij ook met twee punten had kunnen doen. Ik vond hem hier niet thuishoren, maar dat is puur persoonlijk.’ Verder merkt hij op dat er geen specifieke vraag over groene chemie in het eerste tijdvak zat, en dat ongeveer een derde van de punten te verdienen waren met rekenvragen. ‘Dat is in verhouding veel.’

De vraag over groene verf stond hem meer aan. ‘Dat is eigenlijk een context over groene chemie. Het bedrijf uit de vraag bestaat echt. Het is meer op vwo-niveau en het is niet zomaar verzonnen. Een realistische context.’

Chantal Tiemessen

Chantal Tiemessen

Uitgedaagd

Een van zijn vwo-leerlingen, Chantal Tiemessen, was heel tevreden. ‘Ik vond het best wel leuk. Ik was heel zenuwachtig, omdat scheikunde nooit echt goed ging. Bij de eerste vraag zei ik letterlijk hardop: oh, dat valt wel mee!’ Het waren allemaal onderwerpen die ik in principe wel leuk vond. Ik had erg geoefend met rekenopgaves. Die had ik allebei goed, behalve dat ik verkeerd had afgerond, dus ik had acht in plaats van tien punten voor die twee. Stom, want ik had wel het goede antwoord.’

Ook zij worstelde met de DNA-vraag. ‘Ik had wel iets verwacht over eiwitten, maar zat meer met structuurformules in mijn hoofd.’ Waar ze oefenexamens vaak niet af kreeg binnen de tijd, lukte dat nu wel.

‘Bij de eerste vraag zei ik letterlijk hardop: oh, dat valt wel mee!’

Chantal Tiemessen

Na het examen vergeleek ze de antwoorden met haar klasgenoten. ‘De meeste mensen vonden de rekenopgaves lastig. Er kwam een buffer in voor en dat hadden ze niet verwacht, omdat die niet vaak meer in het eindexamen terugkomen.’

Tiemessen had zich goed voorbereid. ‘Ik haalde het hele jaar net onvoldoendes. Mijn scheikundedocent wist dat ik wel de benodigde capaciteit had en daagde me uit om minimaal een 6,5 voor het centraal examen te halen. Ik dacht dat dat nooit zou lukken, maar ik heb veel geoefend en keek veel lesfilmpjes en live video’s van lessen.’ Het eindresultaat mag er zijn: Tiemessen haalde een 6,8.

Ze diende geen klacht over scheikunde in bij het LAKS. ‘Het enige probleem dat ik altijd heb, is te weinig ruimte om de structuurformules te tekenen op de uitwerkbijlage.’ Tiemessen hoopt zelf ook docent te worden. Na de zomer begint ze met de opleiding tot tweedegraads aardrijkskundedocent aan de HAN in Nijmegen.

Meer diepgang

Waar het scheikundeonderwijs naartoe gaat, vinden alle geïnterviewden lastig om in te schatten. Limburg ziet wel bepaalde trends. ‘Groene chemie is een duidelijke toevoeging van de laatste jaren. We nemen als makers de actualiteit mee, dus de examens veranderen mee. Nieuwe productiemethodes, meer biochemie. Op het vwo-examen zien we zouten steeds minder. Daar komt organische chemie voor in de plaats.’

TheoReijnen

Theo Reijnen

In 2016 werd voor het eerst een nieuw examenprogramma getoetst. Een belangrijk onderdeel van die vernieuwing was meer contextrijk toetsen. ‘Inmiddels is bijna 100% van de vragen op havo en vwo contextueel’, zegt Limburg. Wooning vult aan: ‘Een van de belangrijkste onderwerpen van het nieuwe examenprogramma is het kunnen toepassen in een onbekende context. Je moet dus in contexten toetsen.’ Er is wel kritiek op dat tekstuele karakter. Wooning: ‘Over meer of minder contextrijk toetsen is nog geen beslissingen genomen. Het is niet aan ons, maar aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.’ Limburg kan zich voorstellen dat er een model komt waarin docenten een keuze krijgen in onderwerpen naast het basisprogramma, zoals biochemie of polymeren.

‘Ik vind de diepgang wisselend en zou graag wat meer zien.’

Theo Reijnen

Reijnen hoopt op meer diepgang. ‘Bijvoorbeeld een paar hoofdonderwerpen, zodat je er dieper op in kunt gaan. Het kan nog steeds contextrijk zijn. Ik vind de diepgang wisselend en zou graag wat meer zien. Of een combinatie van onderwerpen, in plaats van het één of het ander.’ Hij vind het jammer als dezelfde onderwerpen op bijna dezelfde manier een paar jaar later terugkomen. ‘Er gebeurt echt genoeg in het veld om andere typen vragen te maken.’