Stamcellen bewapenen met antitumormiddelen en vervolgens injecteren op de plaats van de tumor. Dat hebben Utrechtse onderzoekers samen met collega’s van Harvard University uitgeprobeerd op muizen. Het lijkt te werken, de stamcellen bleven de tumor ter plaatse bestoken waardoor deze na een aantal dagen verdwenen was.

De onderzoekers hebben neurale stamcellen uit de muis zo geprogrammeerd dat ze ‘nanobodies’, speciale antilichamen, tegen de zogenaamde epidermale groeifactor receptor (EGFR) gingen maken. Deze receptor is betrokken is bij de regulering van celdeling, differentiatie, migratie en overleving. Overexpressie en mutaties van de EGFR zijn dan ook een bekend fenomeen in diverse tumoren en worden geassocieerd met een slechte prognose.


Nanobodies zijn een soort afgeslankte antilichamen, ze bestaan alleen uit het specifieke antigenherkennende deel van een antilichaam en worden daarom ook wel 'single-domain antibodies' genoemd. Het was al bekend dat bepaalde typen stamcellen graag naar tumoren toebewegen, de gemodificeerde stamcellen fungeren dus als een soort koeriersdienst om de nanobodies op de plaats van de tumor te krijgen.


Eenmaal ter plaatse binden de nanobodies aan de EGF receptor en zitten dan zo in de weg dat de groeifactor de receptor niet langer kan activeren. In muizen werkte deze truc, vijf dagen na injectie van de gemodificeerde stamcellen met nanobodies was de tumor verdwenen. De onderzoeksresultaten verschenen vorige week in de online editie van PNAS.


Het onderzoek richt zich nu vooral op hersentumoren. Deze tumoren zijn nu nog slecht te behandelen omdat medicijnen de bloed-hersenbarrière niet kunnen passeren. Een injectie met bewapende stamcellen lijkt een goede optie voor dit soort tumoren.


Er is echter nog een lange weg te gaan, aldus de Utrechtse celbioloog Paul van Bergen en Henegouwen. “Het moet eerst blijken dat de techniek ook bij mensen werkt en we moeten uitbreiden naar andere tumortypes. Als alles goed gaat, zal het zeker nog tien jaar duren voor we de methode kunnen toepassen in de kliniek.”


Bron: PNAS, Universiteit Utrecht

Onderwerpen