Rood: zetmeel. Paars: pigment. De bovenste laag is het doek.

Rembrandt van Rijn heeft op z’n minst geëxperimenteerd met tarwe(zet)meel als ingrediënt in zijn verf. Analyse met TOF-SIMS-massaspectrometrie wijst dat uit, zo schrijven Belgische en Franse onderzoekers in het tijdschrift Analytical Chemistry.

Het meelgebruik kwam aan het licht tijdens de restauratie van Rembrandts portret van Nicolaes van Bambeeck, uit de collectie van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel. Daarbij namen onderzoekers de gelegenheid te baat om verfmonsters te bestuderen met verschillende conventionele technieken, waaronder SEM-elektronenmicroscopie, IR-spectrometrie en vloeistofchromatografie.

Toen in een van de verflagen sporen van zetmeel leken te zitten, besloten de onderzoekers tot nader onderzoek met TOF-SIMS oftewel time-of-flight secondary ion mass spectrometry. Bij die techniek beschiet je een oppervlak met een ionenbundel en vangt de fragmenten op, die daarbij van dat oppervlak worden afgeslagen. Die bundel kun je heel precies richten zodat je ook exact weet welk deel van het oppervlak je bestudeert. Is dat oppervlak de zijkant van een verfschilfer, dan kun je op deze manier precies bepalen wat er in de verschillende verflagen zit.

In dit geval kwam er uit dat het zetmeel in de tweede grondlaag zit, dus de laag waarop de kunstenaar de voorstelling schetste vóórdat hij daadwerkelijk ging schilderen. De onderzoekers konden zelfs de grootte en de vorm van de zetmeelkorrels bepalen, en daar uit afleiden dat het tarwemeel moet zijn geweest.

Voor de hand ligt dat Rembrandt het meel toevoegde om de verf stroperiger te maken. In die tijd bestonden nog geen verftubes; kunstschilders mengden hun eigen pigmenten en bindmiddelen, waarbij een hoop werd geëxperimenteerd. Het gebruik van meel schijnt voor Rembrandtkenners echter iets nieuws te zijn; analyse van een groter aantal schilderijen moet duidelijk maken of de meester het vaker deed.

Uit de TOF-SIMS metingen blijkt tevens dat sommige van Rembrandts kleurpigmenten eiwitten bevatten. Door die waarneming te combineren met vorm en grootte van de pigmentkorrels, komen de onderzoekers tot de conclusie dat het hergebruikt afval uit een wolververij moet zijn geweest.

Ook werden diverse loodcarboxylaten angetroffen, die moeten zijn ontstaan door reacties tussen de lijnolie in de verf en het loodwit dat in die tijd werd gebruikt als wit pigment.

bron: C&EN

Onderwerpen