Sef Heijnen geeft zijn studenten en promovendi altijd mee dat je elk proces zo kunt vereenvoudigen dat het op een envelop past. ‘Als je alleen rekent met een computer, zie je je vergissingen niet.’

Twee weken voor Sef Heijnens (65) laatste dag als hoogleraar bioprocestechnologie staan de verhuisdozen op zijn bureau. In juli gaat de Delftse hoogleraar officieel met emeritaat, maar dat is niet de reden voor de dozen. Zijn lab verhuist nog net voor het einde van Heijnens hoogleraarschap naar een nieuwe locatie. ‘Het is vooral iets voor mijn medewerkers om zich druk over te maken’, grapt Heijnen. C2W blikt met Heijnen terug op de oliecrisis, een onbekende marktleidende fabriek, MOOC’s zonder computer en een hoogleraarschap in een vakgebied dat je niet kent.

Zet je meteen een punt achter jouw onderzoek?

‘De universiteit ontslaat je op je pensioenleeftijd, tenzij ze je vragen om nog een aantal jaar aan te blijven. Dat deden ze echter niet en dat had ik ook niet gewild. Ik was altijd al iemand van de harde knip. Je bent er dus wel of niet. Het trok me nooit om na mijn pensioen nog vijf of tien jaar promovendi te begeleiden. Volgens mij loop je, cru gezegd, de nieuwe hoogleraar dan voor de voeten. Die moet je ook
gewoon de ruimte geven. Volgend jaar hoop ik mijn laatste twee promovendi af te leveren.’

Het onderwijs kun je echter nog niet helemaal loslaten?

‘Ik vind vooral het onderwijs nog erg leuk. Daar blijf ik zodoende nog bij betrokken, vooral bij advanced courses. Die leveren ook heel veel contacten op. Zowel nationaal als internationaal en van buiten de academische omgeving. Zo blijkt meer dan de helft van de cursisten uit de industrie te komen, erg interessant. Voordat ik hier als hoogleraar ging werken, had ik er namelijk al vijftien jaar bij de industrie op zitten. Ik wijs studenten altijd op wat zich in de industrie afspeelt, om die reden zijn contacten in de industrie belangrijk.’

Veel onderzoekers schuwen de contacten met de industrie.

‘Je moet gewoon glashelder zijn over je de doelen. Werken met de industrie betekent niet dat je haar problemen gaat oplossen. Dat moet je ook niet ambiëren. Als je als universiteit een probleem zou gaan oplossen voor de industrie, krijg je achteraf te horen: ‘O, dat hadden we zelf veel beter kunnen doen.’ Je doet het dus nooit goed. Al dat geblaat van politici dat universitaire medewerkers zich moeten bemoeien met de industrie vind ik zo fout. Ik zou het dan ook prachtig vinden wanneer de industrie eens zou zeggen: ‘Dat willen we helemaal niet.’’

Wat wil je dan wel met de industrie?

‘Wij werken altijd aan nieuwe concepten; van nieuwe procestechnieken tot nieuwe micro-organismen. Dat zijn echter altijd processen die nog drie stappen verder zitten dan waar de industrie nu mee bezig is. Het kunnen echter processen zijn die ze later wel wil gebruiken. De samenwerkingen die ik had gingen altijd over die drie stappen verder. Eigenlijk zag de industrie altijd wel het nut ervan in dat je van bepaalde processen meer te weten zou moeten komen.’

Maar niet uit al het onderzoek komt een bruikbaar proces…

‘Politici zeggen heel vaak dat er niks met de onderzoeksresultaten gebeurt. Volgens mij zijn die onderzoeksresultaten echter een bijproduct. Wij leveren mensen af die dertig tot veertig jaar bijdragen aan onze maatschappij. Bij politici valt dat kwartje niet. Ik zit hier om promovendi af te leveren die op zo’n hoog mogelijk niveau grenzen kunnen verleggen. En dat moeten ze in vier jaar tonen. Ik ben ook blij om te zien dat vrijwel alle promovendi die ik afleverde, echt goed terechtkwamen. De industrie kwam met regelmaat aankloppen om te vragen of ik niet nog mensen had.’

Hoe word je als fysisch technoloog hoogleraar in de biotechnologie?

‘Ik studeerde in 1973 af en wist het een en ander van transportverschijnselen in vaten en dat soort dingen. Ik was best goed en dat zag men ook, alleen in 1973 speelde de oliecrisis. Je kon nergens een promotieplaats krijgen. Mijn afstudeerhoogleraar stuurde me toen naar het voor mij volledig onbekende Gist Brocades. Hij zei: ‘Ga daar maar heen, ze hebben een baan en ik denk dat het wel wat voor je is.’ Gist-Brocades nam me aan zette me toen meteen op de penicillineproductiefabriek. Dat was de grootste penicillinefabriek ter wereld, vol met micro-organismen waarvan ik alleen gehoord had tijdens mijn studie. In de fabriek stonden reusachtige
vaten, maar eigenlijk had niemand enig benul van de transportprocessen in die vaten.

Dat mocht ik gaan uitzoeken. In vier jaar leerde ik toen de productieomgeving kennen. Ik leerde ook heel veel bij over micro-organismen, thermodynamica en hoe je daar wiskundige modellen van maakt. Gist-Brocades kreeg op een gegeven moment van de overheid te horen dat het afvalwater niet meer in de Noordzee
geloosd kon worden. De Raad van Bestuur kwam decennialang weg met ‘Daar voeren we de vissen mee’, maar dat hield op. Op dat moment produceerde het bedrijf een hoeveelheid afvalwater die je kunt vergelijken met de hoeveelheid van een stad met een miljoen inwoners. En dat ging rechtstreeks naar de Noordzee. Het bedrijf zadelde mij toen ermee op om een biologische waterzuivering te gaan ontwikkelen. Ik kreeg het idee om het water te reinigen met biofilms. We hadden afvalwater, ik dacht: doe er zand bij en borrel er lucht door, dan komt het wel goed.

‘Jonge mensen opleiden boeit me veel meer dan publiceren’

Elke ochtend ging ik naar de reactor, maar er waren geen biofilms. Meer of minder zuurstof, andere dragers dan zand, nooit ontstond er een biofilm, maar het stikte van zwemmende micro-organismen. Toen opeens had ik het en was het binnen een dag bekeken. Verdomd, die beestjes die in de suspensie zweven, die zwemmen in het voedsel. Die enkeling op het zandoppervlak krijgt bijna niks te eten. De oplossing was de verblijftijd in de reactor korter maken dan de verdubbelingstijd van de micro-organismen, want dan kunnen ze niet groeien. Ik gooide ze er simpelweg uit. De verblijfstijd van tien uur verkortte ik tot twintig minuten. De dag erop keek ik door de microscoop en hadden we talloze biofilms. Het was dus gewoon een wash-out-principe. Als fysisch technoloog bedenk je zoiets.’

Dan ben je echter nog steeds geen biotechnoloog.

‘Veel van de ideeën voor de waterzuivering kwamen van mij en na enkele jaren vroeg ik aan een bij het proces betrokken hoogleraar (Nico Kossen) of ik over het onderzoek een proefschrift kon schrijven. Dat leek hem een goed idee en Gist Brocades werkte graag mee. Begin jaren tachtig groeide de biotechnologie hard en in 1988 werd ik gevraagd als hoogleraar. De vacature die er was, was toen voor procestechnologie. Karel Luyben, toen hoogleraar biokinetiek die een tijd de bioprocestechnologie erbij had gedaan, kwam naar me toe en vroeg: ‘Die procestechnologie vind ik eigenlijk ook wel leuk, zullen we van leerstoel wisselen?’ Ik had al veel procestechnologie gedaan, en dat mengen en roeren had ik wel al gezien, ik wilde toen eigenlijk veel meer van die micro-organismen weten. Ik zei dus dat ik dat wel wilde en werd eigenlijk hoogleraar in een gebied waarvan ik beperkte kennis had, maar dat me wel mateloos boeide.’

Waarom maakte je de overstap van industrie naar de universiteit?

‘Had ik binnen de industrie willen groeien, dan had ik moeten gaan managen. Nu kan ik denk ik best wel managen, maar ik heb behoefte aan een flinke dot onderzoek. De hoofdreden van mijn overstap is echter dat ik wilde werken met jonge mensen. Ik vind het een voorrecht om mensen op te mogen leiden die de komende decennia nog heel veel kunnen toevoegen voor de maatschappij. Dat boeit me veel meer dan de publicaties, waar de politici altijd over zeuren.’


Geef je daarom ook graag onderwijs?

‘Als ik geen onderwijs zou mogen geven, dan zou ik het niet doen. Ik zou ook niet tot mijn recht komen in een onderzoeksinstituut waar geen onderwijs gegeven wordt. Onderwijs is voor mij elke keer echt een uitdaging. Ik wil er echt iets bijzonders van maken. Mijn eerste college biokinetiek bereidde ik zorgvuldig voor. Ik poetste mijn wiskunde op en verwerkte dat in dat college. Het zat vol met matrixberekeningen, differentiaalberekeningen en ga zo maar door. Ik had alles uitgeschreven en me de pleuris gewerkt. Achteraf dacht ik: wat een arme studenten. Ik gebruikte dat collegedictaat nooit meer. Wat zich in zo’n micro-organisme afspeelt, verpakte ik in de wiskunde, terwijl het gaat om eenvoudige concepten. Ik probeer het onderwijs steeds zo te veranderen dat ik het net weer iets anders kan brengen. Als je het goede gezichtspunt vindt, dan kunnen de moeilijkste onderwerpen heel simpel worden en dat vind ik echt geweldig.’

Kun je altijd versimpelen?

‘Ik zeg altijd, je kunt elk proces op de achterkant van een envelop uitrekenen. Als je goed kijkt, zie je hier geen computer, die is er ook nooit geweest. Ik heb er een hekel aan, waarom weet ik niet. Vaak krijg ik te horen: ‘Gooi gewoon alle informatie in de computer en die rekent het voor je uit.’ Alleen zie je dan met regelmaat je vergissingen niet. De kunst is om vast te stellen welke onderliggende processen er niet toe doen. Je kunt heel veel schrappen en dat maakt je probleem vervolgens analytisch een stuk makkelijker haalbaar en dit leidt tot echt inzicht.’

Waarom maakte je een MOOC (Massive Open Online Course) als je niet van computers houdt?

‘Bij een MOOC voegt de techniek echt iets toe voor het onderwijs. In dat geval heeft die techniek wel weer meerwaarde.'