Ook wetenschappelijke infrastructuur maakt pas kans op de jackpot wanneer ze eerst zelf investeert. In onderlinge samenwerking, om precies te zijn.

‘Er is hartstikke veel in Nederland. Ik was verbaasd’, begint de Eindhovense wiskundige Hans van Duijn. Onder zijn leiding bracht de Permanente Commissie voor Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur vorig jaar bestaande en geplande onderzoeksfaciliteiten in kaart. Vlak voor kerstmis volgde een roadmap die aangeeft welke faciliteiten de komende jaren kans maken op NWO-subsidie – met de nadruk op kans, want tot en met 2020 is € 200 miljoen beschikbaar terwijl alle plannen samen tien keer zo veel kosten.

In 2008 en 2012 verschenen ook al roadmaps, toen nog samengesteld door ad-hoccommissies die niet verder kwamen dan een dertigtal faciliteiten. ‘Dit keer hebben we het meer strategisch aangepakt’, vertelt Van Duijn. Zijn commissie vond er 164. Sommige bleken achteraf toch te klein (de ondergrens ligt bij € 10 miljoen), andere zijn niet toegankelijk genoeg voor derden of dragen onvoldoende bij aan de voortgang van de wetenschap. ‘Simulatoren zijn bijvoorbeeld vaak meer een tool’, legt Van Duijn uit. Maar er zijn er 113 die aan alle voorwaarden voldoen.

Clustering

Om de spoeling minder dun te maken heeft hij sterk gehamerd op samenwerking. De eerdere roadmaps bevatten al wat collectieven zoals NanoLabNL en biobankenkoepel BBMRI-NL, maar individuele aanvragen waren duidelijk in de meerderheid. Nu niet meer. Van Duijn: ‘Als ze vergelijkbare apparaten aandragen, bijvoorbeeld elektronenmicroscopen, is het dan niet handig die samen te nemen?’ Vandaar dat zijn commissie zélf een aantal clusters heeft voorgesteld, en de betrokken faciliteiten gevraagd om gezamenlijke investeringsplannen. De Roadmap 2016 bevat daardoor zeventien clusters, en zestien losse faciliteiten.

Op 1 juni moeten de investeringsplannen klaar zijn, zodat een tweede commissie ze inhoudelijk kan beoordelen. ‘Experts die weten hoe je infrastructuur moet runnen’, zegt Van Duijn. ‘We zoeken ze in het buitenland, binnen Nederland is iedereen zelf bij voorstellen betrokken.’ Begin 2018 worden de winnaars van deze ronde bekend, en als het net zo gaat als in eerdere jaren zijn het er minder dan tien. Maar ook zonder subsidie hebben clusters voordelen, houdt Van Duijn de verliezers alvast voor.

Kanshebbers

UvA-hoogleraar Dorus Gadella acht zichzelf ‘zeker niet kansloos’. Hij spreekt namens het cluster NL-Bioimaging Advanced Microscopy, dat sinds 2012 negentien microscopiecentra omvat. Belangrijk argument is voor hem vooral de leidende rol binnen Europa en zijn onderzoeksinfrastructuur Euro-BioImaging: ‘Als we Nederlandse financiering missen, kunnen andere landen die positie overnemen.’ Gadella kijkt daarbij met enige afgunst naar de fysici die al langer grossieren in grote, langlopende projecten. ‘Ook in de life sciences begint het besef nu te komen dat we meer moeten samenwerken, omdat de technieken steeds ingewikkelder worden.’

Met dat laatste is Thomas Hankemeier, wetenschappelijk directeur van het Netherlands Metabolomics Centre, het roerend eens. Het Genomics Initiative van de afgelopen jaren ziet hij als lichtend voorbeeld. Samen met Utrechtse, Groningse, Nijmeegse en Rotterdamse genomics- en proteomicsfaciliteiten bouwt Hankemeiers Leidse metabolomics lab momenteel een cluster genaamd X-omics, spreek uit crossomics. ‘Gedwongen is te kort door de bocht, maar het is wel gestimuleerd en toegejuicht.’

En dan maar hopen op subsidie. Met NWO-geld komt Hankemeier verder dan zonder. ‘Je wilt niet dat het onderzoek straks naar China gaat omdat wij de benodigde infrastructuur hier niet goed voor elkaar krijgen.’