Océ Museum toont de evolutie van een hoofdrol voor de chemie naar een bijrol. Of moeten we tonerrol zeggen?

Apotheken zijn wel vaker uitgegroeid tot chemische fabrieken. Maar voor Lodewijk van der Grinten uit Venlo, die in 1857 begon met zijn apotheek, was dat nog maar het begin. Eerst was daar de productie van boterkleursel, vervolgens ging het familiebedrijf kopieerpapier produceren, waarna de aandacht gaandeweg verschoof naar de bijbehorende reproductiemachines. Het hele verhaal is te zien in het Océ Museum, dat sinds kort één middag per maand is te bezoeken.

Als bedrijfsmuseum bestond het al veel langer. De collectie omvat relieken die je met zoiets associeert: het interieur van de apotheek, het bureau van kleinzoon Karel, de Hoogewerffmedaille voor chemisch-technologische verdiensten van diens broer Louis, de fiets van broer Piet. En vooral het bedrijfslab anno 1920, met stopflessen waarop soms alleen een nummer stond. Voor routinewerk hoefden de laboranten niet te weten wat er in zat — de Van der Grintens hielden hun recepten liever geheim.

Pruisisch blauw

Het kleursel was bedoeld voor winterboter die er bleek uitzag zolang de koeien alleen kuilvoer kregen. De kunst was om anatto (tegenwoordig E160b), de rode kleurstoffen uit zaden van de Zuid-Amerikaanse orleaanboom op te zuiveren tot een houdbaar extract dat zich door de boter liet mengen. In eerste instantie ging het naar lokale boeren, maar in 1877 ontwikkelde Van der Grinten een variant voor margarine en liet zich door zijn echtgenote Lieske bepraten om zelf de productie op te schalen, nadat margarinefabrikant Jurgens opvallend veel moeite had gedaan om het recept te kopen.

oce_museum

Het Océ Museum in Venlo 

Beeld: Arjen Dijkgraaf

Rond 1918 ging zoon Frans experimenteren met iets heel anders: blauwdrukken, toen al populair om technische tekeningen te kopiëren. Onder het origineel, dat met Oost-Indische inkt was getekend op doorzichtig papier, legde je een vel dat was geïmpregneerd met chemicaliën die bij belichting ijzerhexacyanoferraat oftewel ‛Pruisisch blauw’ vormden. Onder de inkt bleef het papier wit. Frans wist zowel de lichtgevoeligheid als de houdbaarheid van dit materiaal te verhogen. De belichtingsapparatuur die hij er bij leverde, was de eerste stap bij de chemie vandaan.

De daaropvolgende stap was ook nog volop chemisch: met diazoverbindingen geïmpregneerd papier waarmee je kopieën in zwartwit kon maken. Het ontwikkelproces werkte met ammoniakdamp, maar kleinzoon Louis synthetiseerde gemodificeerde diazo’s die zonder konden. In het papier zat nog maar één component, de tweede werd er tijdens het kopiëren overheen gesproeid. Het product kreeg de merknaam Océ mee, wat zowel voor one component als voor ohne Componente kan hebben gestaan.

Eigenwijs

Ongeveer vanaf dat punt toont het museum eigenlijk alleen nog kopieer- en printapparaten. De techniek bleef indrukwekkend en vaak behoorlijk eigenwijs, maar de chemie raakte steeds dieper verstopt in toners en inkten. Het verhaal eindigt rond 2020, toen Océ ophield te bestaan als zelfstandig bedrijf. De nieuwe Japanse eigenaars doopten het om tot Canon Production Printing Netherlands. Alleen in het museum kom je de oude naam nog tegen.

Ruim vijftig vrijwilligers, bijna allemaal pensionado’s, leiden nu het publiek rond en proberen zo veel mogelijk machines aan de praat te houden. ‛Twee jaar stilstand vanwege corona heeft het oude rubber geen goed gedaan’, vertelt een van hen. ‛En zie een storing in de elektronica maar eens te vinden.’ En de chemie? Die staat alleen nog op papier.

Bezoekersinformatie:

Océ Museum 

St. Urbanusweg 17 (poort 35)

5914 CA Venlo 

Het museum is geopend op iedere eerste zaterdag van de maand van 13:00 - 17:00. Entree: €5,-

Daarnaast is het museum op afspraak te bezoeken. Voor meer informatie: museumtours@cpp.canon