Monstername in de Athabasca.

De kans dat de toxische metalen in de Athabasca-rivier níet afkomstig zijn van de oliewinning uit lokale teerzanden is bijzonder klein. Dat melden Canadese onderzoekers op de website van PNAS.

Volgens David Schindler (University of Alberta, Edmonton) en collega’s kunnen de olie-industrie en de Canadese overheid nu moeilijk meer volhouden dat die metalen door natuurlijke erosieprocessen in de rivier terechtkomen. Tussen de regels door beschuldigen ze die overheid er van dat ze uit economische overwegingen doelbewust de kluit belazert.

De onderzoekers hebben simpelweg de rivier stroomopwaarts en stroomafwaarts van oliewinningsprojecten bemonsterd. Ook bemonsterden ze sneeuw die in de lente in de rivier terecht komt, om te zie of dáár soms metaalstof uit de lucht in terecht kwam.

Daarbij keken ze naar de 13 elementen die volgens de Clean Water Act van het US Environmental Protection Agency (de zuiderburen, dus) moeten worden beschouwd als priority pollutants: antimoon, arseen, beryllium, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, seleen, thallium, zilver en zink.

Conclusie: de sneeuw rond oliewinningsprojecten bevat een verhoogde concentratie van al deze elementen, op seleen na. Het rivierwater rond die projecten bevat verhoogde concentraties van allemaal.

De concentraties van zeven elementen (cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zilver en zink) liggen in dat water én in gesmolten sneeuw boven de richtlijnen die in de provincie Alberta (en trouwens ook in heel Canada) gelden voor de bescherming van het waterleven.

Volgens Schindler deugen de procedures van de officiële watermonitoringorganisatie (Regional Aquatics Monitoring Program, RAMP, deels betaald door de oliemaatschappijen zelf) niet. Dat zou verklaren dat de ernst van het probnleem niet eerder duidelijk is geworden.

Een woordvoerder van RAMP ontkent.

bron: naturenews

Onderwerpen