Een elekronenmicroscoopfoto van een Pandoravirus.

Jean-Michel Claverie en Chantal Abergel van de Aix-Marseille University in Frankrijk publiceerden deze week in Science hun vondst van twee supervirussen. Het Franse team vond ze respectievelijk in Chili en in een meertje in Australië. Behalve hun grote omvang valt het op dat hun DNA slechts voor zo’n 7 procent terug te vinden is in de bekende databases.

Beide virussen bestaan uit zo’n respectievelijk 2,5 miljoen en 1,9 miljoen basen en hebben een omvang van 1 bij 0,5 micrometer, waarmee ze met een gewone lichtmicroscoop te zien zijn. Ze zijn dan ook groter dan veel bacteriën en zelfs groter dan sommige eukaryote cellen. Door dit formaat dacht men eerst ook dat het om een bacterie ging in plaats van een virus. Toch bleek al snel dat ‘de onbekende levensvormen’, zoals ze het team ze noemde, zelf niet in staat zijn zich zelfstandig te repliceren en het dus een virus moest zijn. De grootste virussen tot dat moment waren niet langer dan 0,7 micrometer en bevatten zo'n 1,2 megabasen (de megaviridae).

De Chileense variant werd het eerste ontdekt. Het team zag dat een vermeende gram-positieve bacterie amoebes parasiteerde. Nadat het team ontdekte dat het ging om een virus analyseerde men het genoom. Het bevat 2556 putatief eiwitcoderende sequenties. Bij de later gevonden Australische variant gaat het om 1502 sequenties. Het bijzondere van het genoom van beide virussen, is dat slechts 7 procent van de sequentie terug te vinden is in bestaande databases. Wat alle andere genen doen is nog volledig onbekend. Om die reden spreekt het team dan ook over Pandoravirussen.

De onderzoekers proberen nu uit te vissen wat de onbekende genen doen en hopen hiermee de doos van Pandora te kunnen openen.

Bron: Science

Onderwerpen