Aan DNA-sporen in het bloed kun je prima zien of iemands donororgaan wordt afgestoten. Dat scheelt weer een hoop dure en pijnlijke biopsiën, zo meldt Stephen Quake (Stanford University) in PNAS.

Het achterliggende idee is dat het donororgaan nog steeds het DNA van de donor bevat, dat uiteraard afwijkt van dat van de ontvanger. Normaal gesproken komt maar heel weinig van dat donor-DNA in de bloedbaan terecht, maar dat verandert wanneer het orgaan wordt afgestoten en er in hoog tempo cellen beginnen af te sterven.

Komt de concentratie donor-DNA dus boven een bepaalde drempelwaarde, dan wordt het tijd om je ongerust te maken.

De analysemethode is afgeleid uit eerder werk van Quake, dat een methode opleverde om te testen op het syndroom van Down aan de hand van DNA in het bloed van de aanstaande moeder. Dat principe heeft uitgebreidere klinische tests inmiddels met glans doorstaan.

De onderzoekers hebben het voorzichtig geprobeerd met 7 ontvangers van een donorhart, waarvan ze in totaal 44 bloedmonsters afnamen. 23 daarvan werden genomen terwijl het donorhart nog helemaal gezond was: daarin kwam minder dan 1 procent van het DNA van de donor. Nog eens 6 waren genomen op een moment dat de afstoting al vast stond: die bevatten 3 tot 4 procent donor-DNA.

De overige 15 waren maximaal 3 maanden voor de afstoting genomen, en achteraf had je bij 13 daarvan aan de hand van het DNA kunnen voorspellen dat het fout liep.

Nu wordt die afstoting nog in de gaten gehouden door frequent een biopt te nemen en te kijken of er weefsel afsterft. Volgens Quake zie je het met de DNA-test zeker een maand eerder.

Hij heeft octrooi aangevraagd en hoopt een licentie te verkopen aan een bedrijf dat uitgebreidere klinische tests kan betalen.

bron: naturenews

Onderwerpen