De cocon van kokerjuffers bestaat uit eiwitten met een hoog gehalte aan gefosforyleerd serine. Vandaar dat het dier onder water kan spinnen, zo leggen Ching Shuen Wang en Russell Stewart (University of Utah) deze week uit in het tijdschrift Biomacromolecules.

Stewart wil het materiaal gebruiken als lijm voor medische toepassingen. Je zou er pleisters mee kunnen maken die plakken op een vochtige ondergrond, en waarmee je zelfs een operatiewond zou kunnen sluiten zodat je niet meer met naald en draad hoeft te hechten.

 

Kokerjuffers zijn de larven van schietmotten (Trichoptera, in het Engels caddisfly). Ze produceren een cocon rond hun achterlijf om zichzelf te beschermen tegen predatoren, en om uiteindelijk in te verpoppen.

 

Het bijzondere daarbij is dat hun spinzijde plakkerig is onder water. De zijde van zijderupsen is dat juist niet.

 

De chemische achtergrond hiervan blijkt te zijn dat de kokerjuffer zijde maakt van fibroïne-eiwitten die voor ongeveer eenvijfde bestaan uit serine. Dit aminozuur is eenvoudig te fosforyleren, en dat gebeurt dan ook al tijdens het spinnen.

 

De toegevoegde fosfaatgroepen zijn negatief geladen. De keten bevat echter ook relatief veel positief geladen aminozuren. Al die ladingsophopingen maken het eiwit relatief goed oplosbaar in water.

 

Maar ze vormen vermoedelijk ook de basis voor supramoleculaire zelfassemblage van de zijde waarbij de positief geladen delen van de ene keten zich aan de negatieve van de andere keten hechten, en omgekeerd.

 

Het resultaat is dat de zijde niet meer in water oplost, terwijl het oppervlak wél plakkerig blijft. “Wel eens geprobeerd een pleister te plakken onder de douche? Dit insect kan dat al 150 tot 200 miljoen jaar”, aldus Stewart.

 

Erg sterk is het materiaal niet, maardat heeft de kokerjuffer ook niet nodig. Zijn cocon bestaat zandkorreltjes en steentjes, die door de zijde aan elkaar worden geplakt.

 

bron: University of Utah

Onderwerpen