Hyena’s gebruiken symbiotische bacteriën om met elkaar te communiceren. Dat werd al vermoed maar het is nu op een haar na bewezen, schrijven onderzoekers van Michigan State University in PNAS.

Die hyena-communicatie werkt via geurklieren onder de staart. Nu en dan laten de dieren een geurspoor achter op een grasspriet. Die geurstof bevat een wisselende cocktail van vluchtige vetzuren, esters, koolwaterstoffen, alcoholen en aldehydes. Eerder onderzoek heeft uitgewezen dat soortgenoten daaraan de identiteit van de afzender kunnen herkennen, de roedel waar hij of zij deel van uitmaakt, het geslacht en - bij vrouwtjes - wellicht ook of ze drachtig zijn.

De hoeveelheid informatie die er in zo’n geurspoor past, wordt al voorzichtig vergeleken met die van een twitterbericht. Qua functie ligt de vergelijking nog meer voor de hand.

Het eerdere onderzoek liet ook zien dat er bacteriën in die geursporen zitten, en trouwens ook in de geurklieren. Vermoed werd al dat die iets met de geurstoffen te maken hadden. Maar keihard vastgesteld was het nooit: niemand wist precies om welke bacteriesoorten het precies ging, om de eenvoudige reden dat ze zich lang niet allemaal op kweek lieten zetten.

De huidige publicatie levert in feite ook het bewijs niet, maar maakt het wel heel erg waarschijnlijk dat de theorie klopt. De Amerikanen hebben een stuk of 70 hyena’s, waarvan de posities binnen de roedels bekend waren, verdoofd om de geurklieren te kunnen bemonsteren. Die monsters zetten ze niet op kweek, maar haalden ze door de DNA-sequencer. Dat geeft een veel gedetailleerder beeld van de aanwezige bacteriegeslachten.

In totaal werden sporen van ruim 400 soorten gevonden, waarbij tussen de populaties van gevlekte hyena’s (Crocuta crocuta) en gestreepte hyena’s (Hyaena hyaena) nauwelijks overlap zat. En heel belangrijk: het bleken vooral fermentatieve, anaerobe bacteriën te zijn die heel goed verantwoordelijk kunnen zijn voor de stoffen die je in die geursporen tegenkomt.

De onderzoekers hebben tevens de vluchtige vetzuren uit de monsters geëxtraheerd en ze door de gaschromatograaf gehaald. Legden ze vervolgens de gevonden vetzuurprofielen naast de DNA-profielen, dan bleken de verschillen parallel te lopen. Met andere woorden: aan de vetzuurcocktail kun je redelijk goed zien welke bacteriën in een monster aanwezig zijn.

Bovendien waren de profielen van mannetjes, drachtige vrouwtjes en zogende vrouwtjes duidelijk van elkaar te onderscheiden.

Voor een definitief bewijs moeten nog twee dingen worden uitgezocht. Ten eerste of de bacteriën daadwerkelijk de genen bezitten die nodig zijn om de vetzuren in kwestie aan te maken, ten tweede of je met een zorgvuldig samengesteld synthetisch geurspoor een hyena kunt foppen.

Ook interessant is de vraag of het bij andere diersoorten ook zo werkt.

bron: PNAS, Michigan State University

Onderwerpen