Heel veel methaan.

Onderzoekers Joint Genome Institute (JGI) laten in de meest recente editie in Genome Research zien dat een verschil in genexpressie in methanogene archaebacteriën het verschil in methaanproductie van vee verklaart. Dit in tegenstelling tot de samenstelling van het microbioom wat je eerder zou verwachten.

Herkauwers dragen veel bij wat betreft de uitstoot van methaan. Het Amerikaanse Environmental Protection Agency schat dat de uitstoot van methaan door vee zoals runderen, schapen en andere herkauwers op ongeveer een vijfde van de totale uitstoot. Het verschil in uitstoot tussen de dieren is echter groot, zelf wanneer je individuen van hetzelfde ras vergelijkt. Onderzoekers van het JGI vermoedden een verschil te kunnen vinden in het microbioom. Zij keken met behulp van high-throughput DNA-sequencing naar het metagenoom van het microbioom van schapen met een hoge en lage methaanuitstoot.

Toch bleek de samenstelling van dat microbioom niet de heilige graal om het verschil in methaanuitstoot te kunnen verklaren.

Zowel in de onderzochte individuen met een lage methaanuitstoot als die met een hoge methaanuitstoot troffen de onderzoekers een vergelijkbare hoeveelheid methanogenen aan. Individuen met een hoge methaanuitstoot hebben meer Methanosphaera en die met een lage uitstoot meer Methanobrevibacter gottschalkii. Daarnaast trof het team drie varianten aan in een gen dat betrokken is bij de methaanvorming. Doordat die varianten echter verspreid bij de verschillende schapen zijn teruggevonden, achten de onderzoekers de kans dat deze verschillen direct verantwoordelijk zijn voor het verschil in methaanuitstoot klein. Zij concluderen dat een verschil in genexpressie het verschil tussen schapen met een hoge en lage methaanuitstoot moet verklaren. Welke factor het verschil in transcriptie van de verantwoordelijke genen verklaart weet het onderzoeksteam echter nog niet. Zij vermoeden dat de aanwezige concentratie waterstof of de tijd dat het eten van de herkauwers aanwezig blijft in het maag-darmkanaal factoren kunnen zijn die meespelen.

Bron: Genome Research

Onderwerpen